|
|
|
|
NAAR MöTTLINGEN
De industrieel Anton Begeer werd in de dertiger jaren door God gebruikt
om het opwekkingsvuur uit Möttlingen naar Nederland te brengen. Door zijn getuigenis
ontstond er toen een Möttlinger beweging in ons land. Na tal van conferenties
op diverse plaatsen werd ten slotte de pastorie van ds. W. A. Plug in
Bredevoort het centrum van deze beweging. In 1946 verhuisde men naar Hattem.
Daar, op het terrein van "de Hezenberg" staat een kleine blokhut,
die een zeer belangrijke plaats in mijn leven is gaan innemen. Want in die
blokhut, werd ik in augustus 1949, als volslagen buitenkerkelijke jongeman,
door ds. P. Lugtigheid tot Christus geleid.
Nu, na vijftien jaar, bevind ik me er weer. Ik
logeer enkele dagen op de gastvrije Hezenberg om hier, in de stilte van de
blokhut de laatste hand te leggen aan
dit verslag van de strijd en overwinning van ds. J. C. Blumhardt.
In de loop der jaren heeft die naam Möttlingen
altijd een heel aparte klank voor mij gehad. Vooral de eerste jaren na
mijn bekering maakte ik tal van conferenties en weekends van de
Möttlinger-beweging mee. Deze geestelijke training
5
zette een
onuitwisbaar stempel op mijn verdere leven. Hoewel de Möttlinger-broeders
beslist niet met Duitse cliché's werkten,
kwam toch de bron waaruit zij zelf gedronken hadden, steeds weer ter sprake.
"Toen ik destijds in Möttlingen was…" Wat
heb ik ds. Plug en de andere
broeders dat vaak horen zeggen. 't Is dan ook altijd een stille wens van mij
geweest nog eens persoonlijk naar Möttlingen te kunnen gaan. Maar ach, iedereen
heeft nu eenmaal van die wonderlijke wensen die tóch nooit in vervulling gaan .
. . .
Op een voor
mij bijzonder goede dag kreeg ik echter opdracht een serie artikelen te
schrijven over het oude Möttlingen, waar ds. J. C. Blumhardt worstelde met het
legioen demonen dat zijn gemeentelid Gottliebin Dittus jarenlang kwelde. Omdat
ik over een groot aantal Blumhardt-gegevens beschikte en er bovendien
verschillende boekjes en brochures over hem zijn verschenen, had ik die
opdracht zonder veel moeite op mijn kantoor kunnen uitvoeren. Maar hoe vaker ik
er over nadacht, des te duidelijker werd het me dat ik een reis naar Möttlingen
moest maken om daar persoonlijk polshoogte te nemen.
Blumhardt vertelde geen sprookjes!
Wie naar Möttlingen wil, moet flink klimmen. Dit
vriendelijke boerendorpje ligt in de Noordelijke uitloper van het Zwarte Woud,
op 531
6
meter boven de zeespiegel. 1n het jaar 1842 werden daar plotseling op
de meest spectaculaire wijze de sluimerende krachten van het Koninkrijk Gods
openbaar.
Toen ds. Johann Christoph Blumhardt op 31 juli 1838
zijn intrede deed, woonden er slechts 535 mensen. Tegenwoordig telt Möttlingen
ongeveer 750 inwoners. De pastorie waar Blumhardt woonde, is geheel
gerestaureerd. In de dorpsherberg staat nu een televisietoestel te schetteren
en over de asfaltweg naar Weil der Stadt rijden dag en nacht de auto's. Maar in
het dorpje zelf is heel weinig veranderd. Wie bij de schilderachtige dorpsbron
staat te peinzen, verwacht dat ieder ogenblik ds. Blumhardt langs komt lopen.
Zó sterk herinnert de sfeer nog aan de vorige eeuw.
Blumhardt was 33 jaar oud toen hij - te voet - naar
Möttlingen trok om daar als predikant te worden bevestigd. Het werd een
feestelijke intocht. Aan de rand van het dorp werd hij opgewacht door de
burgemeester met de gehele gemeenteraad. Men zette de nieuwe dominee op een
met bloemen versierde wagen en voerde hem zo naar de kerk. De schoolkinderen
zongen "Lof zij de Heer, de Almachtige Koning der ere". Onderweg
moest ds. Blumhardt talloze handen drukken. De dorpsschaapherder trok met drie
prachtig versierde schapen voor de nieuwe zielenherder uit. Achter de wagen
waarop Blumhardt zat, volgden de kinderen, de gemeenteraad en
7
een afvaardiging van de kerkelijke gemeente. Op
deze feestelijke dag kon ds. Blumhardt weinig vermoeden welke enorme worsteling
hem hier in Möttlingen te wachten stond.
Al gauw merkte hij dat het allemaal mooier leek dan het in werkelijkheid was.
De Möttlingers waren erg verwend, want de vorige predikant, dr. Christian
Gottlob Barth, was een zeer begaafd prediker. De gemeente "wist" het
allemaal reuze goed, maar het dééd haar niets meer. De Möttlingers waren finaal
doodgepreekt!
Toch begon ds. Blumhardt vol goede moed aan zijn
nieuwe taak. Nadat hij reeds twee jaar in Möttlingen gewerkt had, kwam het
gezin Dittus in het dorp wonen. Het waren twee broers, Andreas en Johann Georg
(die Hansjürg genoemd werd) en
drie zusters: Katharina, Anna Maria en Gottliebin. Dit laatste meisje was toen
24 jaar oud. Zij werd gepijnigd door demonische kwelgeesten. In april 1842 bond
Blumhardt de strijd aan met deze machten der duisternis. Het werd in de meest
letterlijke zin des woords een strijd op leven en dood.
Tegenwoordig ontmoet men nog al eens vrome lieden die beweren dat een
kind van God niet gebonden kan zijn. Onbewust veroordelen zij daarmede de
duizenden oprechte kinderen Gods die zich in zenuwinrichtingen en
krankzinnigengestichten bevinden. Dat
zouden dus allemaal géén christenen zijn. Want een kind van God kan im-
8
mers niet gebonden zijn . . .
Mensen die deze liefdeloze theorie verkondigen, moeten vooral kennis
nemen van de geschiedenis van Gottliebin Dittus. Dit meisje was beslist niet
buitenkerkelijk en evenmin was zij een meeloopster. Gottliebin was een echt
kind van God, maar toch was zij jarenlang "bezet gebied".
Niet uit sensatielust bond ds. Blumhardt deze ontzettende
strijd aan. Hij kon met de apostel Paulus zeggen: "De liefde van Christus
dringt ons" (2 Corinthe 5 :14). Hoewel de Heiland gezegd heeft dat het
uitdrijven van boze geesten een der tekenen is die zijn discipelen zullen
volgen, staan heel wat christenen er nogal huiverig tegenover. Menigeen zullen beslist de haren
te berge rijzen als hij leest wat ds.
Blumhardt allemaal heeft meegemaakt. Daarom wil ik graag met nadruk verzekeren, dat alle
bijzonderheden die ik (zo sober
mogelijk) doorgeef, h i s t o r i s c h
zijn. De meeste gegevens ontleende ik aan Blumhardt zelf. Hoe
ongelooflijk sommige dingen ons ook
mogen voorkomen, toch mogen wij niet twijfelen aan de juistheid van Blumhardts
rapport.
Niet voor niets spreekt b.v. Eduard Thurneysen over de "ungeheuere
Sachlichkeit" van dit rapport. En
dat, terwijl deze Zwitserse theoloog toch beslist geen bewonderaar van
Blumhardt is.
In de Rettungsarche
Zodra ik in Möttlingen aankwam, reed ik naar de
9
Rettungsarche. 't Was voor mij een wonderlijke
gewaarwording om dit gebouw binnen te stappen. Als geestelijk kind van de
Möttlinger-beweging had ik immers al zo veel over de Arche gehoord en gelezen.
Het viel mij dadelijk op dat alle mensen er zo blij
uitzagen en dat het grote gebouw een zeer verzorgde indruk maakte. Een
hulpvaardige zuster op het kantoor vertelde mij dat er 's avonds om half acht
een "Andacht" werd
gehouden. 't Zou een bijzondere avond
worden, verzekerde ze mij, "denn es spricht ein Jude".
Weer buiten gekomen, zag ik dat zich een hele groep
Duitsers rondom mijn autootje had verzameld. Men probeerde te ontcijferen wat
er op de achterruit te lezen stond. "Jezus redt - kent U Hem?" Natuurlijk informeerde ik of zij begrepen wat
er stond. Ja, knikte iedereen, ze begrepen best wat die Hollandse woorden
betekenden. "Aber haben Sie es auch e r
f a h r e n?" informeerde ik. Toen straalde plotseling iedereen
van oor tot oor. "Aber nur", zei iemand, "Gott sei dank:
ja", getuigde een ander. En weer een ander reageerde met het internationale,
bijbelse "Halleluja". Op dat ogenblik voelde ik me opeens helemaal
thuis in Möttlingen. Wat is het toch heerlijk dat je als christen overal
familie ontmoet!
De Rettungsarche werd aan het begin van deze eeuw
gebouwd door "Vater" Stanger, een eenvoudige koetsier die volslagen
alcoholist was, tot
10
God hem als een brandhout uit het vuur rukte.
Na zijn bekering werd hij door Gods Geest gedrongen
enkele malen achter elkaar 1 Cor. 12 te lezen. Dat veranderde zijn hele leven. In
een visioen toonde de Heer hem waar hij de Rettungsarche moest bouwen. Hoewel
hij slechts 40 mark bezat, kwam het enorme gebouw toch klaar. Het staat op de
plaats die God hem in dat visioen toonde. Op 14 november 1909 werd de Arche ingewijd.
Velen uit allerlei landen vonden er de levende Heiland of werden er door Hem
genezen. De Rettungsarche kan 150 gasten herbergen. Toen ik er was, logeerden
er ruim 120 Duitsers en Zwitsers. Hoewel men, om zakelijke redenen, de Arche
tot een "Erholungsheim" heeft gemaakt, merkte ik al gauw dat de sfeer
er allesbehalve zakelijk is. Men is alleen dan welkom, als men twee
samenkomsten per dag wil meemaken . . .
Nadat ik me in de dorpsherberg wat had opgefrist,
moest ik meteen weer naar de Arche om daar de avonddienst bij te wonen.
De Joodse broeder die predikte, was Paul Taine.
Deze Poolse Jood, die in 1941 als gevangene van de Gestapo een openbaring van
Jezus Christus ontving, sprak met grote autoriteit. Ik had die dag ruim 10 uur
achter het stuur gezeten, maar na afloop van de samenkomst voelde ik me weer
helemaal fit. Toch was zijn boodschap allesbehalve populair. Broeder Taine,
die zijn vader en 2 broers in Auschwitz verloor, spaart geen Duitsers.
11
"Hoeveel Duitse christenen" informeerde hij, "hebben
geprotesteerd toen al die miljoenen zonen en dochters van Gods volk werden
vermoord?"
- "Ja, maar broeder
Taine" zegt men steeds "als wij geprotesteerd hadden, dan had men ons
óók gevangen genomen!" De reactie van Paul Taine luidde: "Nu en wat
dan nog? Je bent christen of je bent het niet".
"Ieder die als soldaat of ambtenaar de eed op
Hitler heeft afgelegd, heeft een verbond met de duivel gesloten" riep hij uit. "Wie dat gedaan heeft,
leeft onder een ban van satan. Dáárom ligt er zo'n druk op het Duitse volk. Want
miljoenen en nog eens miljoenen hebben zich door die eed aan het rijk der
duisternis verbonden". Overal waar Paul Taine spreekt, komen na afloop
vroegere soldaten, officieren en beambten naar hem toe om hun schuld aan de
Heer te belijden. In de naam van Jezus spreekt deze Joodse Christen hen dan
vrij van die eed op Hitler.
De volgende morgen om half negen begon de eerste
"Andacht". Dit maal ging een van de Duitse broeders voor. De zaal was
bijna helemaal vol.
We zongen uit de bundel "Reichslieder".
De meeste melodieën kende ik uit de "Overwinningsliederen" die op
de Hezenberg gezongen worden.
Het werd een onvergetelijke morgen. De preek ging
over de voetwassing. "Indien nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten
gewassen heb, behoort gij ook elkander de voeten te wassen; want Ik
12
heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet gelijk Ik u gedaan
heb" (Johannes 13 : 14).
Dit Schriftgedeelte werd onder de prediking van die
broeder gloednieuw voor mij. Hij liet zien hoe alle mensen, ook christenen,
altijd weer de beste, de bovenste plaatsen proberen te bemachtigen. Maar wij
dienen het voorbeeld van Jezus te volgen. Hij koos de láágste plaats. Hij
waste zelfs de voeten van Judas. Kijk, dat is o n z e plaats!
't Valt niet mee om de hoogste plaatsen te bereiken.
Men trapt elkaar daarbij op de tenen en iedereen werkt met de ellebogen. Maar
weet u wat zo fijn is? "Die unterste Plätze sind i m m e r frei". De
onderste plaatsen zijn altijd vrij ... Persoonlijk had dit woord mij veel te
zeggen en ik ben dankbaar dat ik het ook in dit boek mag doorgeven.
Omdat ik op de Hezenberg de Heiland heb leren
kennen, had ik in Möttlingen het gevoel bij mijn geestelijke grootouders op
bezoek te zijn. In de Arche wordt Jezus Christus verkondigd als Redder en
Heelmeester. Dagelijks ontvangen vele zieken er handoplegging en voortdurend
bevestigt de Heer zijn woord met wonderen en tekenen.
13
Toen Gottliebin Dittus in Möttlingen kwam wonen, kende zij ds. Blumhardt
reeds van gezicht. Als oud-catechisante van dr. Barth, Blumhardts voorganger,
was zij op 31 juli 1838 speciaal naar Möttlingen gekomen om de intredepreek van
de nieuwe predikant te beluisteren. Zoals Gottliebin later verklaarde,
bekroop haar onder die preek een sterk verlangen om Blumhardt de ogen uit te
krabben!
Reeds tijdens die eerste preek beseften de demonen
blijkbaar dat er nu in Möttlingen een geheel andere wind ging waaien. Dr. Ch.
G. Barth was een uitstekend theoloog en een echte herder voor zijn gemeente.
Hij mocht Gottliebin graag, mede omdat zij zo'n trouwe catechisante was en
steeds blijk gaf van een diep geestelijk inzicht. Deze predikant had moeite
noch kosten gespaard om Gottliebin te helpen bij haar vele kwalen en ziekten.
Doch zijn hulp bewoog zich uitsluitend op het puur menselijke vlak. Hij
schakelde bijvoorbeeld diverse doktoren in. Blumhardt ontdekte echter dat al
die ziekten van het meisje een gééstelijke oorzaak hadden. Hoewel Gottliebin
jaren
14
lang mank liep (haar ene voet was een stuk korter dan de andere)
verdween die mankheid op slag, zodra de demonen verdreven waren!
Was Blumhardt dan zo'n bijzondere predikant?
Nee, beslist niet. Maar dank zij zijn geestelijke
achtergrond dacht hij meer bijbels dan zijn collega's. Nadat hij al op drie(!)
jarige leeftijd naar school was gestuurd, werd de bijbel zijn voornaamste
lektuur. Toen hij nog maar twaalf jaar oud was, had hij Gods Woord reeds twéé
maal uitgelezen. De opvoeding die zijn (piëtistische) ouders hem gegeven
hadden, bleek ook voor zijn ambt van enorme betekenis. Bekend is het advies dat
zijn vader hem gaf: "Johann Christoph, laat liever je hoofd eraf slaan dan
dat je Jezus verloochent". Die woorden zouden hem zijn leven lang bij
blijven.
Gottliebin Dittus had een kennelijke
"aanleg" voor occultisme. Van kindsbeen af had zij allerlei nare,
duistere dingen ervaren. Maar omdat zij de Heiland van harte liefhad, bleef zij
er gelukkig voor bewaard op influisteringen van satan in te gaan. Toen zij
echter in Möttlingen kwam wonen, zette de duivel alles op alles om haar geheel
in zijn macht te krijgen.
Zodra Gottliebin de nieuwe woning betrad, merkte zij dat er
"iets" een geheimzinnige invloed op haar uitoefende. Reeds tijdens
haar eerste tafel
15
gebed "Kom Here Jezus, wees Gij onze gast en
zegen hetgeen Gij ons uit genade hebt toegedacht", kreeg het meisje een
aanval. Zij viel bewusteloos op de grond. Op het zelfde moment hoorde men een
luid gestommel en gezucht. Het klonk zó luid, dat ook de bovenburen het
duidelijk konden horen.
Vanaf dat moment werd Gottliebin op allerlei
manieren gekweld. Vooral
's nachts. Meer dan eens werden haar armen met
geweld over elkaar geslagen. Zij zag gestalten en lichtjes. Uit haar latere
verklaringen blijkt, dat er toen reeds sprake was van bezetenheid.
Met opzet wil ik de diverse occulte verschijnselen
zo sober mogelijk beschreven. Het is mij in dit boek niet om sensationele
bijzonderheden te doen, doch om hetgeen wij uit de strijd en overwinning van
ds. Blumhardt voor ons persoonlijke en gemeentelijke leven kunnen leren.
Ten onrechte hebben sommigen gemeend dat Blumhardt
bezwaren had tegen de publikatie van zijn rapport over de strijd om Gottliebin.
Het tegendeel is echter waar, zoals ik later nog zal aan tonen. De Heilige
Geest dreef hem om deze dingen bekend te maken, tot eer van God. Hoewel hij -
juist door zijn collega's - fel bekritiseerd werd, heeft hij de bijzonderheden
van deze geestelijke strijd nooit in de doofpot gestopt.
Van december 1841 tot februari 1842 was Gottliebin
ernstig ziek. Toch bezocht Blumhardt haar
16
slechts zelden, want haar gedrag stootte hem af.
Zij groette niet eens terug wanneer hij haar kamer binnenkwam. Ze weigerde
haar handen te vouwen als hij met haar bad en wendde de blik voortdurend van
hem af, zolang hij met haar sprak. Daar Blumhardt nog geen inzicht in haar
toestand had, vond hij het meisje hoogmoedig en eigenwijs. Pas na vele maanden
ontdekte hij dat dit alles onder dwang van duistere machten gebeurde. Het
meisje heeft later vaak verteld dat haar handen met geweld uiteen werden gerukt
als ds. Blumhardt met haar ging bidden!
Dr. Späth, een bekwame, gelovige arts uit Merklingen,
was in die dagen haar enige menselijke steun. Hij vervulde tevens een tijdlang
de functie van biechtvader. Aan hem vertelde zij ook over de "spoken"
die zij 's nachts zag.
In april 1842, twee jaar nadat de demonen Gottliebin
begonnen te kwellen, kwamen haar broers en zusters naar de pastorie om
Blumhardts hulp in te roepen. Het gestommel in huis werd namelijk zó luid, dat
het tot ver in de omtrek te horen was. Het leek wel alsof er een heel stel timmerlieden
in het huis van de familie Dittus aan het werk was!
Bij deze gelegenheid kreeg ds. Blumhardt te horen
dat Gottliebin 's nachts steeds dezelfde verschijning zag. Het was een vrouw
met een kind op de arm. Die vrouw was twee jaar tevoren gestorven. Gottliebin
liet via haar zusters vragen
17
of zij contact met die "vrouw" mocht opnemen. Die verschijning
probeerde namelijk steeds een gesprek met Gottliebin aan te knopen. Blumhardt
verbood dit echter ten strengste. Mede omdat hij er nog steeds rekening mee
hield dat het meisje zich de hele zaak alleen maar verbeeldde.
Op Blumhardts verzoek ging toen een moedige zuster uit zijn gemeente bij
Gottliebin slapen. Ook zij kon geen oog dicht doen vanwege het lawaai. Deze
zuster ontdekte een paar stukken oud papier met roestvlekken en enige munten
waarop het jaartal 1828 stond. Over een van die papieren had de bewuste
"vrouw" herhaaldelijk met Gottliebin gesproken.
Nadat die geheimzinnige dingen uit het huis verwijderd
waren, werd het plotseling stil. "De spookgeschiedenis is afgelopen"
schreef Blumhardt heel optimistisch aan dr. Barth . . . Niets was echter minder
waar!
Satan deinst terug voor de naam van Jezus
Spoedig kwam het gestommel weer terug en het werd
zelfs heviger en hinderlijker dan ooit tevoren. Men hoorde het zowel overdag
als 's nachts. Hoofdzakelijk in de kamer waar Gottliebin verbleef. Dr. Späth,
de huisarts, bleef tot tweemaal toe een nacht in het huis van de familie Dittus
en hij moest constateren dat het lawaai maar al te werkelijk was.
Ten einde raad besloot ds. Blumhardt zelf ook
18
eens een nacht in het huis te gaan waken. Samen met de
dorpsburgemeester, een positief gemeentelid en nog een stuk of zes andere
betrouwbare mannen, ging hij naar het huis van de familie Dittus toe. Zodra
Blumhardt het huis betrad, klonken er twee slagen vanuit de kamer. Het leken
wel pistoolschoten. Het lawaai werd steeds erger, vooral toen Blumhardt een
opwekkingslied inzette en een kort gebed uitsprak. In de drie uur dat de
mannen waakten, werden er in totaal 25 slagen vernomen. Sommigen waren zó hard,
dat de ruiten rinkelden en de stoelen van de grond sprongen. Herhaaldelijk viel
er kalk van het plafond en veel dorpelingen, die een heel eind uit de buurt
woonden, waanden zich op Oudejaarsavond.
Zoveel werd er "geschoten"! Hoewel de mannen het gehele huis nauwkeurig
onderzochten, vonden zij geen verklaring voor die geluiden.
De volgende dag, een vrijdag, kreeg Gottliebin een
hevige aanval. Iemand kwam in de pastorie vertellen dat het meisje bewusteloos
was en de dood nabij scheen. Onmiddellijk snelde Blumhardt naar haar toe. Het
meisje lag geheel verstijfd op bed. Haar gezicht en armen gloeiden. Zij beefde
vreselijk en zag eruit alsof zij stikken zou. Een dokter, die toevallig in de
buurt was, probeerde tevergeefs haar weer bij te brengen. Omdat het hem niet
lukte, ging hij hoofdschuddend heen. Toen Gottliebin een half uur later weer
tot bewustzijn kwam, vertelde zij Blumhardt dat ze die
19
overleden vrouw weer had gezien. Daarna was ze
flauw gevallen.
Vanaf die tijd kwam Blumhardt regelmatig met enkele
trouwe gemeenteleden samen voor bijbelstudie en gebed. "Wij baden"
zei Blumhardt later "dat God toch de overwinning zou geven en dat wij
satan onder onze voeten mochten vertreden''.
Intussen werd de arme Gottliebin steeds heviger
gekweld. Bij iedere aanval kreeg zij vreselijke krampen. Dr. Späth maakte eens
mee dat de krampen zó hevig waren, dat het ledikant het begaf. "Maar dat
is niet natuurlijk meer" riep de arts uit, terwijl de tranen hem in de
ogen stonden, "men zou gaan denken dat er hier in Möttlingen helemaal
geen zielszorger meer is".
Dit gezegde kwam Blumhardt ter ore en hij trok het
zich erg aan. Sindsdien begon hij Gottliebin vaker te bezoeken. Op een keer
kreeg zij juist een aanval toen hij bij haar binnenkwam. Blumhardt moest
machteloos toezien hoe het meisje zich heen en weer wentelde. Zij leed
vreselijk en het schuim kwam haar uit de mond. Op dat moment besefte Blumhardt
plotseling dat dit een uitdaging van satan was. Hij voelde een heilige
verbolgenheid in zich opkomen. Zonder te aarzelen sprong hij naar voren, greep
de handen van Gottliebin en schreeuwde het bewusteloze meisje toe: "Vouw
je handen en bidt: Here Jezus, help mij. Wij hebben nu lang genoeg gezien wat
de duivel doet. Nu willen wij wel eens zien wat Jezus kan doen!"
20
Reeds na enkele seconden ontwaakte Gottliebin. Zij
sprak het gebed uit dat ds. Blumhardt haar had voorgezegd en tot grote
verbazing van alle aanwezigen hielden de krampen onmiddellijk op! Dit werd het
grote keerpunt in Blumhardts leven. N u
was de beslissing gevallen. Met eigen ogen had hij gezien dat de
demonische machten moesten wijken voor
de naam van Jezus.
Geloof of berusting ?
In het geloof ging Blumhardt verder. Het werd een
eenzame weg, want al zijn vrienden en collega's bleven afzijdig staan. Steeds
weer kreeg hij het "pastorale" advies te horen: "Bemoei je er
toch niet mee. Je steekt je hand in een wespennest. Daar is tóch niets tegen
te doen. We moeten b e r u s t e n in deze ziekte".
Doch Blumhardt was een echte herder. Hij liet zijn
arme schaap niet aan de wolven over. Stug vocht hij door, vast besloten niet
los te laten voordat een volkomen overwinning behaald was.
"Ik ben er vast van overtuigd" zei hij
later "dat Gottliebin verloren was geweest als ik mij door al dat ongeloof
had laten overhalen om de strijd te staken. Maar ik wist dat op mijn
volhardende gebed het onmogelijke zou gebeuren!"
Wanneer men bedenkt dat de vrijzinnigheid in die
dagen hoogtij vierde, kan men de houding van Blumhardts collega's beter
begrijpen. Zij hadden al moeite genoeg om de bijbel nog te geloven als
21
het Woord van God. Om nu ook nog te d o e n wat de Bijbel zegt, was
hun echt te gortig . . .
Ook in dat opzicht is er niets nieuws onder de zon. Bij mijn
bronnenstudie stootte ik op diverse Blumhardt-publicaties van Nederlandse
theologen.
Zonder uitzondering zijn zij vol bewondering voor Blumhardt en zijn
werk. Zelfs al die griezelige, bijna ongelooflijke gebeurtenissen rondom Gottliebin
Dittus slikken zij als zoete koek. Wat er honderd jaar geleden bij Blumhardt
gebeurde, geloven zij grif. Doch bijna zonder uitzondering verwijzen deze
Blumhardt-vereerders iedere soortgelijke gebeurtenis die n u plaats vindt,
naar het rijk der fabelen . .
Het werkt daarom zeer verhelderend om vanuit de
strijd van Blumhardt eens lijnen te trekken naar de tijd waarin wij nu leven.
Dan zien we hoe buitengewoon aktueel Blumhardt is. Zijn strijd en overwinning
mag voor ons niet slechts historische waarde hebben. Want sinds de dagen van
Gottliebin Dittus is satan nog precies dezelfde kwelgeest en mensenmoordenaar.
Maar ook Jezus Christus is n i e t veranderd. De God van Blumhardt lééft!
22
..IN MIJN NAAM ZULLEN ZIJ BOZE GEESTEN
UITDRIJVEN"
Oorspronkelijk heeft ds. Blumhardt de mysterieuze dingen die zich
rondom Gottliebin Dittus hebben afgespeeld, niet willen publiceren.
Toen echter het vertrouwelijke rapport dat hij bij zijn kerkelijke
superieuren had ingediend, in zeer verminkte vorm de rondte ging doen, zag hij
zich genoodzaakt het gehele verloop nogmaals nauwkeurig op schrift te stellen.
Hiervan werden door hem 100 exemplaren in omloop gebracht.
Toen men er in 1844 bij Blumhardt op aandrong dit
rapport op grote schaal te verbreiden, luidde zijn commentaar: "voorlopig
niet". In 1850, toen men hem opnieuw om grootscheepse publicatie verzocht,
antwoordde Blumhardt: "nog stééds niet".
Maar mannen als ds. Friedrich Zündel (zijn beroemd
geworden biograaf) en deskundigen als professor W. Koller uit Erlangen zijn
ervan overtuigd dat Blumhardt er beslist geen bezwaar tegen zou hebben gemaakt
dat de feiten over zijn strijd na zijn overlijden gepubliceerd werden.
Tijdens zijn rondwandeling op aarde legde de
Heiland veel genezen zieken een zwijgplicht op.
De Heer schuwde de publiciteit, omdat Hij geen
23
koning wilde worden. Hij wilde als een tarwegraan in de aarde vallen om
te sterven. In dit licht moeten wij ook de reserves zien die ds. Blumhardt had
ten aanzien van de publicaties over zijn strijd om Gottliebin. Blumhardt wilde
niet vereerd worden. Ziende op Jezus, zei hij met Johannes de Doper: "Hij
moet wassen, ik moet minder worden".
In het vorige hoofdstuk zagen wij hoe een epileptische
aanval onmiddellijk ophield zodra Gottliebin de naam van Jezus had
aangeroepen. Toen het meisje wat tot rust was gekomen, zei Blumhardt tegen
haar huisgenoten dat men hem vooral moest waarschuwen als er een nieuwe aanval
mocht komen. Daarna sprak hij nog een kort gebed uit en keerde naar de
pastorie terug.
Diezelfde avond om 10 uur kwam iemand Blumhardt
roepen. Onmiddellijk ging hij mee. Toen hij bij Gottliebin binnenkwam, zag hij
dat de duivel ontzettend te keer ging. De krampen waren teruggekomen, erger
dan ooit te voren. Het arme kind leed zó vreselijk, dat zelfs de vrouw die bij
haar oppaste, flauw viel bij het zien van zóveel menselijke ellende.
Zonder aarzelen ondernam Blumhardt een tegenaanval.
Opnieuw liet hij Gottliebin bidden: "Here Jezus, help mij". Ook
ditmaal verdwenen de krampen op slag! Drie uur lang bleef de predikant bij de
patiënt. Telkens wanneer er een aanval kwam, liet hij het meisje bidden:
"Here Jezus
24
help mij". En steeds weer mocht hij met dankbare verwondering
constateren dat duivelse machten afdropen zodra zijn gemeentelid de naam des
Heren aanriep.
Gottliebin had daarna een rustige nacht en pas de volgende
avond, juist toen Blumhardt haar bezocht, begonnen de aanvallen opnieuw. Dit
maal was Blumhardt in gezelschap van de dorpsburgemeester en broeder Mozes
Stanger. Deze twee trouwe leden van zijn gebedskring zouden voortaan iedere
worsteling van nabij meemaken.
Het gedrag van Gottliebin was nu anders dan gewoonlijk.
Tussen de krampen door gedroeg zij zich namelijk zeer vijandig. Zij balde de
vuisten tegen Blumhardt en maakte een gebaar alsof zij hem de ogen wilde
uitkrabben. Bovendien overlaadde zij de drie mannen met een stroom van
scheldwoorden. Blumhardt trok zich daar echter niets van aan. Hij onderkende nu
dat zijn gemeentelid niet aan het woord was, doch de machten die haar tot
"bezet gebied" hadden gemaakt.
"Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed
en vlees, maar tegen de overheden de machten, tegen de wereldbeheersers dezer
duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten" (Efeze 6:12).
Zoals ik reeds vertelde, had Blumhardt op twaalfjarige
leeftijd de bijbel al twee maal doorgelezen. Wat kwam zijn enorme Schriftkennis
hem nu uitstekend van pas! Hij beantwoordde de demonische
25
scheldpartijen enkel en alleen met bijbelgedeelten
die hij uit het hoofd citeerde en met overluid gebed. Want al had Blumhardt nog
bitter weinig ervaring in deze strijd tegen de boze geesten, hij had reeds
ontdekt dat de duivel bang is voor bijbel en gebed!
't Was voor Blumhardt bijzonder bemoedigend dat die
vreselijke krampen enkele dagen later geheel verdwenen. Optimist als hij was,
dacht hij reeds dat de strijd ten einde was . . . Weldra probeerde de vijand
het echter op een andere manier. Alvorens die nieuwe aanval te beschrijven,
wil ik eerst doorgeven wat Blumhardt zelf over zijn geplaagde gemeentelid
geschreven heeft. Hoe zij ook kon razen en tieren tijdens een demonische
aanval, zodra zo'n aanval was afgeslagen, bleek Gottliebin weer dezelfde
toegewijde christin van voorheen. Zij vertrouwde met haar gehele hart op de
Heer. Volgens Blumhardt had zij dan niet eens normale zielszorg nodig, want zij
beschikte over een geestelijk inzicht zoals hij dat slechts zelden had
aangetroffen!
Op het moment dat de vorst der duisternis opnieuw
attaqueerde, hoorden de huisgenoten van Gottliebin allerlei vreemde kloptekens
om haar heen. Eens gaf een onzichtbare vuist haar zo'n harde slag tegen de
borst, dat zij helemaal achterover sloeg. Opnieuw zag zij de gestalte van de
26
Möttlingse vrouw die zij al vaker had waargenomen. Toen zij er met de
predikant over sprak, kon deze zich die vrouw onmiddellijk herinneren. Als
zielszorger had hij namelijk diverse gesprekken met haar gevoerd. Gedreven
door een hevige wroeging, had zij hem op haar sterfbed nog allerlei erge
zonden beleden. Doch zelfs toen had zij geen vrede gevonden.
Op zekere dag, toen Blumhardt Gottliebin bezocht,
lag het meisje heel rustig in bed. Plotseling leek het echter alsof een macht
bezit van haar nam. Haar gehele lichaam kwam in beweging. Onmiddellijk begon
Blumhardt hardop te bidden en noemde herhaaldelijk de naam van Jezus. Zodra
hij dat deed, werden de handen van Gottliebin van elkaar gerukt en met een stem
die heel anders klonk dan haar eigen stem, riep zij : "Die naam kan ik niet horen". Alle
aanwezigen huiverden toen dit vreselijke gezegde over de lippen van het meisje
kwam.
Men diene voor ogen te houden dat Blumhardt nog
nooit dergelijke occulte verschijnselen had meegemaakt. In stilte bad hij om
wijsheid en voorzichtigheid. Hij herinnerde zich hoe de Heiland in het land
der Gerasenen zich rechtstreeks tot het legioen demonen had gewend om hun naam
te vragen (Lucas 8:30). Zo kreeg hij vrijmoedigheid zich tot de demon te
richten die door de mond van Gottliebin sprak.
Nadat hij die boze geest enkele vragen had gesteld,
27
beval hij hem het lichaam van het meisje te verlaten Hoe onervaren
Blumhardt nog was, blijkt uit het feit dat hij de naam van Jezus daarbij (nog)
niet gebruikte. Toch gehoorzaamde de demon dadelijk en enkele ogenblikken later
was Gottliebin weer helemaal rustig.
Een paar dagen later kreeg Gottliebin weer hevige
aanvallen. Dit maal sprak Blumhardt echter niet met de boze geesten. Hij gebood
hen het meisje los te laten en de demonen gehoorzaam den prompt. Eerst voeren
er drie uit. Even later zeven en ten slotte veertien! Iedere keer veranderden
de gezichtsuitdrukking en de stem van het meisje, want stuk voor stuk maakten
de boze geesten zich via haar bekend. Dat deze machten niet vrijwillig
vertrokken, bleek duidelijk uit de scheldwoorden die Blumhardt en de zijnen te
horen kregen. Doch hoewel de burgemeester en broeder Stanger menige klap en
stomp moesten incasseren, werd Blumhardt geen enkele maal aangeraakt. De
demonen zeiden openlijk dat zij ook hem graag kwaad hadden gedaan, doch dat zij
dit niet durfden.
Reeds van jongsaf aan kende ds. Blumhardt de opdracht
uit Marcus 16 : "In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven".
Maar nog nooit had hij deze opdracht uitgevoerd. Nu hij daar ernst mee ging
maken, bemerkte hij tot zijn vreugdevolle verwondering dat de demonen dat
goddelijke bevel eveneens kenden en .... gehoorzaamden!
28
In die dagen maakte de predikant van Möttlingen een spoedcursus in Nieuw
Testamentisch christendom mee. Blumhardt was opgegroeid in een gelovig
piëtistisch gezin. Na het gymnasium te hebben doorlopen, ontving hij een
uitstekende theologische opleiding. Hij was o.a. 6½ jaar docent
aan het zendingsinstituut te Bazel. Toch kon zijn theologische kennis hem niet
helpen bij zijn worsteling om Gottliebin. Blumhardt werd volledig op de b ij b
e l teruggeworpen. Geloof en gebed waren zijn enige strijdmiddelen. Want ook
de kracht van het vasten kende hij nog niet.
Hoewel hij tastend een weg zocht door een oerwoud van vragen en
problemen, mocht hij toch dagelijks de krachten van het Koninkrijk Gods
ervaren. Van kindsbeen af had hij daar al naar gehunkerd. Diep was Blumhardt
ervan overtuigd dat de kracht van de Heilige Geest niet uitsluitend voor de
eerste christengemeente was gereserveerd. Temidden van de ontzettende
worsteling om Gottliebin raakte hij er meer en meer van overtuigd dat God zijn
Geest nog eenmaal in al zijn volheid wilde uitstorten. Blumhardt realiseerde
zich dat hetgeen hij meemaakte slechts een voorbode was van wat God op veel
grotere schaal zou gaan doen in de laatste dagen!
Ondanks tal van onbeantwoorde vragen (geen enkele
professor of collega kon hem immers helpen) kreeg Blumhardt vrijmoedigheid om
door
29
te zetten. Wanneer hij boze geesten uitdreef, probeerden
zij Gottliebin eerst nog flink te pijnigen.
Zij trok zich daarbij de haren uit, sloeg zich op
de borst en bonsde met haar hoofd tegen de muur. Maar als de predikant die
machten dan bestrafte, hielden zulke kwellingen dadelijk op.
De argeloze lezer zou kunnen denken dat door
Blumhardts tegenacties de toestand van Gottliebin langzaam verbeterde. Het
tegendeel was echter waar. Het leek wel alsof zijn tussenkomst de situatie
alleen maar verergerde. 't Was om wanhopig van te worden. Hoe meer Blumhardt
bad, des te feller kwam de vijand terug. "Wat ik in die dagen meemaakte,
is met geen pen te beschrijven" getuigde hij later. Weliswaar moesten de
demonen hem telkens als hun meerdere erkennen, doch als hij de volgende keer op
bezoek kwam, waren de machten weer sterker en talrijker dan tevoren.
Geen wonder dat Blumhardt soms het gevoel had alsof
hij in een doolhof verdwaald was. Geen sterveling kon hem helpen. Zijn vrienden
en collega's deden alle mogelijke moeite om hem tot andere gedachten te
brengen. Volgens hen was dit immers een volslagen hopeloos geval.... Maar
Blumhardt kon en wilde niet berusten. Al voelde hij zich vaak wanhopig, toch
bleef hij voortdurend tot de Heer roepen. En iedere keer als de duivelen op
zijn bevel uitvoeren, mocht hij ervaren dat de levende God achter hem stond.
30
"Als God voor ons is, wie zal tegen ons
zijn?" Met deze woorden uit Romeinen 8 heeft hij zich in die dagen vaak
getroost en bemoedigd.
Waar blijft de eindoverwinning ?
In onze dagen, nu in de kerken en de kringen steeds
meer christenen ernst gaan maken met de opdracht uit Marcus 16, zijn wij in
menig opzicht boven Blumhardt bevoorrecht. Daarom dienen wij, in de goede zin
des woords, des te meer bewondering te hebben voor deze eenzame strijder.
Steeds meer demonen moesten het lichaam van
Gottliebin verlaten. Na de reeds genoemde 14 werden het al spoedig 175. Ja, de
broeders die hem vergezelden, legden alles nauwkeurig vast en kwamen na verloop
van tijd op een totaal van 425! Al deze demonen meldden zich persoonlijk, ieder
met een eigen stemgeluid, eer zij het lichaam van Gottliebin verlieten.
Op zekere nacht werd het arme meisje bijna gewurgd
door een vurige hand die haar keel dichtkneep. Toen een tante, die bij
Gottliebin waakte, het licht aanstak, bleek dat zich een groot aantal met vocht
gevulde brandblaren rondom haar hals bevond. Een dokter die de andere morgen
kwam kijken, verwonderde zich er zeer over. Zoiets had hij in zijn praktijk nog
nooit meegemaakt. Het duurde enkele weken eer haar hals weer helemaal beter
was. In die zelfde tijd kreeg Gottliebin zowel overdag als 's nachts
herhaaldelijk
31
stompen in haar zijde en klappen op haar hoofd. Wanneer zij buiten
wandelde of thuis een trap afliep, gebeurde het meer dan eens dat een
onzichtbare hand haar liet struikelen. Weldra zat zij vol builen en blauwe
plekken van de vele valpartijen.
In de nacht van 25 juli 1842 bereikte de strijd een
hoogtepunt. Van 's avonds 8 uur tot de andere morgen 4 uur was Blumhardt
onafgebroken aan het worstelen met de machten der duisternis. Hij was
lichamelijk finaal uitgeput. Ofschoon er nog geen beslissing was gevallen,
moest Blumhardt zich toch terugtrekken, daar hij enkele uren later naar
Korntal moest om er een dienst te leiden. Toen hij wegging, was het meisje nog
steeds niet tot rust gekomen. Dit was de eerste keer dat hij haar zo moest
achterlaten en het is begrijpelijk dat dit hem erg deprimeerde. Zouden zijn
(ongelovige) vrienden dan tóch gelijk hebben?
Zou de duivel dan tóch machtiger zijn dan Jezus,
vroeg Blumhardt zich wanhopig af . . ..
32
BIDDEN EN VASTEN
Het was voor Blumhardt erg bitter om na die nachtelijke
worsteling zijn gemeentelid te moeten achterlaten zonder dat de demonische
tegenstand was gebroken. De volgende avond, toen hij uit Korntal was
teruggekeerd, berichtte men hem dat de toestand van Gottliebin erger was dan
ooit tevoren. Allen die haar zagen lijden, konden alleen maar jammeren. Het
arme meisje sloeg zich zelf onophoudelijk op de borst en kronkelde daarbij als
een worm. Hoezeer dit alles Blumhardt ook aan het hart ging, toch bleef hij dit
maal in de pastorie. Hij was geestelijk namelijk volkomen uitgeput. Daarom
bezocht hij het meisje pas een dag later.
Terwijl de predikant haar kamer betrad, verstijfde
zij van hoofd tot voeten. Ruim een kwartier bleef zij roerloos liggen. Zelfs
haar adem was niet meer te horen. "Nu is ze dood" riepen haar familieleden
reeds. Maar Blumhardt liet zich niet intimideren. Hij bleef voortdurend in
gebed en na verloop van een kwartier (dat een eeuwigheid scheen) opende het
meisje haar ogen. Op het zelfde ogenblik ging er een schok door haar bovenlichaam
heen. Zij sperde haar mond open en ter-
33
wijl zij braakbewegingen maakte, verliet de ene
duivel na de andere haar lichaam. Het leek wel, verklaarde Blumhardt later aan
zijn kerkelijke superieuren, alsof zij de demonen uitspuwde!
Voordien had Blumhardt reeds herhaaldelijk de
opdracht uit Marcus 16 in praktijk gebracht: "In Mijn Naam zullen zij boze
geesten uitdrijven". Doch nimmer waren toen de demonen via de mond van de
patiënt naar buiten gekomen. 'k Wil Blumhardt zelf aan het woord laten. "
Zij voeren groepsgewijs uit. Soms met 14 of 28, dan weer met 12 tegelijk. Zo
scheen het tot in de duizenden door te gaan, zonder dat er ditmaal ook maar
één woord van mijn kant nodig was". Wanneer er weer een nieuwe groep
aanstalten maakte om het lichaam van Gottliebin te verlaten, wierpen de demonen
toornige blikken rond, via de ogen van het gekwelde meisje.
Eindelijk, eindelijk, kwam er een eind aan deze
duivelse exodus. Blumhardt besefte dat hij opnieuw een mijlpaal bereikt had!
Wekenlang voelde Gottliebin zich uitstekend. Zij kon haar werk weer normaal
verrichten, maakte wandelingen en bezocht de gemeentelijke samenkomsten. Wat
was Blumhardt dankbaar dat hij niet naar zijn ongelovige collega's geluisterd
had! Steeds duidelijker ging hij zien dat geloof en berusting doodsvijanden
zijn.
"Er bestaat een vroom,
voorbeeldig geduld" schreef hij in die dagen. "Doch dat geduld
hunkert
34
niet naar bevrijding. Daarom vertrouw ik zulk een
geduld niet! Het is veel te gemakkelijk zich passief en geduldig aan een ziekte
over te geven dan in het gelóóf de grendels weg te schuiven die Gods hulp
tegenhouden.
Men maakt van de nood een deugd. Zodra een ziekte
ongeneeslijk schijnt, beweert men dat dit de wil van God is. Ja, men gaat zelfs
verkondigen dat zo'n kwaal een voorrecht en een grote zegen is . . . Maar
ondertussen gebruikt men allerlei middelen om van de kwaal af te komen! De
vrome berusting, die God niet om genezing durft te smeken, laat niets
onbeproefd om er op andere wijze onderuit te komen! Men denkt niet: zou het
geen z o n d e zijn dat ik niet geloof in mijn genezing? Het geloof is een
plicht en al wat niet uit het geloof is, is zonde. Wanneer iemand door het
Woord tot geloof wordt opgeroepen en hij gehóórzaamd niet dan wordt zijn
ongeloof tot zonde."
Een nieuwe truc van satan
Met nadruk wil ik er nog eens op wijzen dat alles wat ik hier doorgeef,
historisch is. Omdat ik de sensatielust niet wil prikkelen, geef ik de bijzonderheden
zo sober mogelijk door. De strijd en overwinning van ds. Blumhardt worden door
veel theologen terecht aanvaard als een concreet stuk Kerkgeschiedenis. Dit
verslag werd geschreven om Gods kinderen toe te rusten tot dienstbetoon
35
zoals de bijbel dat noemt. Moge dit boekje dan ook veler ogen openen voor
de opdracht en de mogelijkheden die God eveneens gegeven heeft aan ons,
christenen van het atoom-tijdperk.
Bij mijn bronnenstudie heeft het mij diep getroffen
dat Blumhardt de bevrijding van Gottliebin Dittus en de daarop volgende
opwekking slechts beschouwde als "een wolkje als eens mans hand".
Voor hem was deze overwinning op het rijk der duisternis een heerlijk voorteken
van de overvloedige stortregen die God in latere dagen zou gaan geven.
"Wat in Möttlingen plaats vond, was slechts een voorproefje van de komende
tijd als de adem des Heren de dorre doodsbeenderen zal doen herleven",
getuigde hij in verband met Ezechiël 37.
Tijdens zijn tweejarige strijd om Gottliebin werd ds. Blumhardt steeds
eenzamer. Steeds meer vrienden en collega's wendden zich van hem af. Ook dr.
Barth liet hem volkomen in de steek. Zelfs nadat Gottliebin genezen was,
konden velen het niet opbrengen eerlijk toe te geven dat hun houding verkeerd
was geweest.
Door dit ongeloof van zijn ambtsbroeders werd Blumhardt gedwongen een
rapport over de ziekte en genezing van Gottliebin Dittus aan zijn kerkelijke
overheid voor te leggen. Wanneer hij zich daarbij uitsluitend door zijn gezonde
verstand had laten leiden, zou hij een verslag hebben geschreven waaraan
niemand enige aanstoot had kunnen
36
nemen. Doch dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen. "Ofschoon
ik mij bij iedere zinsnede bijna bevend afvroeg of het niet overhaast of onvoorzichtig
was dit allemaal zo maar te vertellen, hoorde ik toch steeds de stem des Heren
die zei: Geef het door!"
Hoe ouder Blumhardt werd, des te duidelijker ging hij inzien hoe
belangrijk zijn strijd is geweest voor het Koninkrijk Gods. Tijdens zijn leven
mochten deze dingen alleen maar "in het oor gefluisterd worden". Na
zijn dood werd het nodig dezelfde feiten "van de daken te prediken".
Toen hij aan zijn kerkelijke superieuren rapport uitbracht, stond hem
ook duidelijk voor ogen dat een vage berichtgeving zo gauw een sprookjesachtige
indruk zou maken. Daarom noemde Blumhardt de dingen steeds bij hun naam, op het
gevaar af dat men hem een dweper zou noemen of dat zijn collega's zouden
insinueren dat hij alles uit zijn duim had gezogen.
Nadat Gottliebin enkele weken vrij rustig was
geweest, kwam zij op een dag in augustus 1842 lijkbleek de pastorie binnen. Pas
na enige minuten kwam het grote woord eruit: reeds twee jaar lang werd zij
iedere woensdag en vrijdag door boze geesten gepijnigd. Zij verloor dan heel
veel bloed. Haar huisarts was de enige die zij over die bloedingen had
ingelicht. Maar de middelen die hij haar had voorgeschreven, hadden geen enkel
resultaat opgeleverd.
37
Zodra Blumhardt het meisje was komen bezoeken om met haar te bidden,
waren die bloedingen opgehouden. Doch na die laatste grote aanval (op 25 en 26
juli) werd Gottliebin weer iedere woensdag en vrijdag gemarteld en verloor zij
enorm veel bloed. Wanneer er geen eind aan gemaakt werd, zou dit onherroepelijk
haar dóód betekenen.
Blumhardt schrok hevig van deze mededeling. Weer
voelde hij zich alsof hij een doolhof was binnengegaan waaruit hij niet meer
kon ontkomen. Heel even was de predikant de wanhoop nabij. Toen klampte hij
zich opnieuw aan Gods onwankelbare beloften vast! "Gottliebin" zei
hij tegen het gemartelde meisje "wij geven het n i e t op. Wíj b l ij v e
n bidden. Bijna iedere bladzijde uit de bijbel spreekt over gebed en
gebedsverhoring. Daarom gaan we door. Want de Here zàl doen wat Hij
belooft!"
Reeds de volgende dag was het vrijdag! 't Werd een
dag die Blumhardt zijn leven lang niet meer vergeten zou. Na een maandenlange
droogte brak er 's avonds een hevig onweer los. Terwijl het buiten
onheilspellend donker werd, kreeg Gottliebin een vreselijke aanval. Vanwege
hevige bloedingen moest zij zich geheel verschonen. Toen zij een ogenblik op
een stoel zat, leek het alsof zij gedwongen werd iets in te slikken. Op
hetzelfde
38
moment beving haar een soort razernij. Als dol rende zij door de kamer
en riep om een mes waarmee zij zelfmoord zou kunnen plegen. Doch haar hevig
geschrokken broers en zusters zorgden natuurlijk dat zij geen mes te pakken
kreeg. Daarop rende zij naar boven en klom het raam uit. Zij hield zich nog
slechts met één hand vast, toen, plotseling de duisternis verscheurd werd door
de eerste bliksemstraal. Hierdoor kwam Gottliebin weer tot zichzelf. "O
God" riep zij uit, "dat wil ik niet".
Weldra volgde een nieuwe vlaag van waanzin. Zij
pakte een touw (niemand wist waar dat touw zo plotseling vandaan kwam!) en bond
het op kunstige wijze om een balk heen, zodat er een lus ontstond die
gemakkelijk dicht gleed. Reeds had zij haar hoofd in de lus gestoken, om zo een
eind aan haar leven te maken, toen een felle bliksemschicht de inktzwarte lucht
doorkliefde.
Daardoor werd Gottliebin wederom uit haar delirium
bevrijd. De volgende dag kreeg zij bij het zien van die kunstig vervaardigde
strop een hevige huilbui. Met geen mogelijkheid had zij toen nogmaals zo'n
strop kunnen vervaardigen . . . Nadat het meisje zich verschoond had, werd
Blumhardt bij haar geroepen. De kleding van haar bovenlichaam was weldra weer
doordrenkt van bloed. De predikant sprak enkele woorden van troost en
bemoediging. Daarop begon Gottliebin te kreunen. Terwijl buiten de donderslagen
weer-
39
klonken, riep Blumhardt de naam des Heren aan. Later
wist hij zelf niet meer wat hij gebeden had. Doch na een kwartier was de
demonische aanval afgeslagen. "Nu zijn ze weg" riep Gottliebin
dankbaar uit. Na die dag kwamen zulke vreselijke bloedingen lange tijd niet
meer voor!
Samen met de andere leden van het gezin Dittus zong
dominee Blumhardt vervolgens enkele geestelijke liederen om God te danken. Maar
plotseling sloeg Gottliebin achterover, op de zelfde manier waarop zij dat
altijd deed als de demonen haar aanvielen. Een hevige scheldpartij volgde.
Zodra Blumhardt de boze geesten bestrafte, werd het echter stil. "Nu kunt
U wel gaan; hoor" zei Gottliebin. Doch Blumhardt vertrouwde het niet.
Daarom legde hij zijn hoed en wandelstok weer weg en sprak nog een kort gebed
uit. Onmiddellijk begon Gottliebin heel gemeen te lachen en iemand zei via haar
stem: "Daar heb je goed aan gedaan om niet te verdwijnen. Want als je er
vandoor was gedaan, had je het spel verloren!"
Blumhardt ging er niet op in, maar bestrafte de
boze macht en dreef hem uit. Toen brak de woede der demonen pas goed los. De
omstanders hoorden tal van stemmen klinken, meestal klagend en huilend.
"Nu is alles afgelopen" jammerden ze. "Jij schopt alles in de
war. Ja, jij bent de schuld van ons ongeluk. Jij met je eeuwige bidden. O wee, o, wee, nu verdrijf je ons toch nog.
Wij
40
zijn 1067 in getal, maar nu is alles afgelopen." Urenlang duurde
deze geestelijke worsteling. Buiten rolden de donderslagen en overstemden af
en toe het gebrul der demonen. Bliksemschichten wierpen een vreemd licht op de
ernstige gezichten der aanwezigen. Het was een tafereel waar men zich eenvoudig
geen voorstelling van kan maken. Maar er werd een klinkende overwinning
behaald. "Niemand ter wereld" riepen de boze geesten, "niemand
kon ons verdrijven. Alleen jij, omdat je maar dóór bleef gaan met je eeuwige
bidden."
Bidden zonder woorden
Al had Blumhardt er steeds voor gezorgd dat zijn andere ambtsbezigheden
niet in het gedrang kwamen, toch eiste deze geestelijke strijd veel van zijn
tijd en zijn krachten. God beproeft ons echter nooit boven ons vermogen.
Dat mocht ook Blumhardt ervaren, want juist in die septemberdagen van 1842 werd
hij bij het bijbelse v a s t e n bepaald.
God gebruikte een goede vriend van Blumhardt om hem
op de betekenis van het vasten te wijzen. Meteen nam de predikant de proef op
de som. Hij sprak er met niemand over, doch weldra merkte hij dat deze nieuwe
strijdmethode zijn uitwerking niet miste.
Een buitenstaander zou wellicht denken dat
Blumhardts strijd nog zwaarder werd, nu hij ging vasten. Hij moest zich immers
tóch al zoveel ont-
4l
zeggen . . . Het tegendeel bleek echter waar. Zodra Blumhardt begon te
vasten, kreeg hij nieuwe kracht en moed. Voor hem was het vasten geen vorm van
zelfkwelling, doch een nieuwe manier van bidden. Vasten is namelijk een
gebedshouding waarbij men bidt zonder woorden.
"Wanneer ik vastte" getuigde Blumhardt
"kon ik de machten in bedwang houden zonder persoonlijk aanwezig te zijn.
En als ik bij de patiënt op bezoek kwam, verkreeg ik in zeer korte tijd verblijdende
resultaten". Ook behoefde de predikant nu niet meer ieder ogenblik naar
Gottliebin toe te hollen. Hij kreeg namelijk door, dat de duivel hem graag van
het kastje naar de muur stuurde en als loopjongen gebruikte. Wanneer hij vaste
was een kort gebed vanuit zijn studeerkamer vaak voldoende om een aanval af te
slaan!
De ontdekking van de kracht van het vasten
betekende een nieuwe mijlpaal in de worsteling om Gottliebin. Zo vocht deze
eenzame strijder verder. Van zijn collega's ondervond hij alleen maar
tegenwerking, hoon en wanbegrip. Doch van dag tot dag mocht hij meer ervaren
van de krachten van het Koninkrijk Gods. Straks zouden de demonen uitroepen
"Jesus ist Sieger" en het dorre
doodgepreekte Möttlingen zou geschud worden door een machtige
opwekking. Tot daaraan toe luidde het parool voor Blumhardt: "Lijd met de
anderen als een goed soldaat van Jezus Christus" (2 Timotheus 2 :3).
42
"SIEGEN ODER STERBEN !"
De strijd van Blumhardt leek vaak verdacht veel op een
twee-frontenoorlog. Terwijl hij streed tegen de slagorden van satan, werd hij
onophoudelijk door collega's in de rug aangevallen. Zelfs de meest positieven
onder hen stelden alles in het werk om hem te ontmoedigen.
"Bemoei je er toch niet mee" luidde hun
advies. "Daar is immers niets meer aan te doen". Blumhardt luisterde
echter niet naar deze laffe adviezen. Want hij wilde geen huurling zijn die het
bedreigde schaap in de steek laat, uit angst voor de wolf. Nee, Blumhardt was
een echte herder. Hij wilde liever sterven dan het aan zijn zorgen toevertrouwde
gemeentelid in de klauwen van satan laten.
Bijzonder pijnlijk voor Blumhardt was de houding
van dr. C. G. Barth, zijn beroemde voorganger. Deze briljante
theoloog-publicist (een van zijn boeken verscheen in liefst 65 vertalingen!)
had in Möttlingen óók geen gemakkelijke tijd gehad. Dr. Barth was een van de
meest gevierde kanselredenaars van zijn tijd, doch wanneer hij 's zondags in
Möttlingen preekte, zat het overgrote deel der kerkgangers te slapen. Of
43
Barth het nu met retorische effekten dan wel met
hel-en-verdoemenis-preken probeerde, zolang hij in Möttlingen stond, slaagde
hij er niet in deze slaperigheid te verbreken. Ds. Friedrich Zundel, de bekende
Blumhardt-biograaf, sloeg de spijker op de kop toen hij constateerde dat ook
die slaperigheid veroorzaakt werd door occulte machten. Die laten zich nu
eenmaal niet verdrijven door oratorisch vuurwerk. . . . Sinds jaar en dag was
de Möttlinger dorpsgemeenschap verziekt door allerlei occulte praktijken.
Waarzeggerij, magnetisme, toverij en bijgeloof vierden er hoogtij. Ondanks
alles hield dr. Barth veel van de Möttlingers. Toch begreep ook hij bitter
weinig van de strijd die Blumhardt voerde. Hij verweet hem o.a. dat hij meer
dan eens de eindoverwinning te vroeg geproclameerd had. Inderdaad had Blumhardt
zich daar herhaaldelijk toe laten verleiden. Maar ja, dat was ook zo
begrijpelijk. Bij menige nieuwe "mijlpaal" trad immers een periode
van rust in en omdat Blumhardt met zijn hele hart in de eindoverwinning
geloofde, was hij dan wel eens wat te voorbarig . . . Blumhardts brieven aan
dr. Barth geven ons een goede indruk van zijn geestelijk leven. Daarom wil ik
er in dit verband graag iets uit overnemen.
"U zegt dat de duivel mijn ondergang op het oog heeft. Dat is inderdaad het geval. Maar in de naam van Jezus Christus, mijn Heiland, vraag ik u: is er dan in de wereld geen an-
44
dere macht dan die van de duivel? Moeten wij de duivel soms sparen en hem
rustig z'n gang laten gaan, opdat hij ons niet zal aanvallen?"
"U hebt er nog geen idee van welke verschrikkelijke
omvang de toverij en het occultisme onder ons volk hebben aangenomen. Nu ik
dit weet, zou ik nog slechter dan de duivel zijn wanneer ik me
terugtrok!"
"Wees niet bang dat ik schade naar lichaam of
ziel zal oplopen, want U moest eens zien hoe kinderlijk vrolijk ik ben na
iedere strijd. Ik voel mij dan zo gelukkig en dankbaar tegenover mijn Heiland.
Eén enkele zucht naar omhoog: "Heer, geef mij kracht" en ik voel mij
onmiddellijk weer sterk. Zelfs na mijn zwaarste nachten van strijd heeft
niemand iets aan mij kunnen merken. U kunt navragen of iemand mij deze week,
terwijl ik 15 spreekbeurten vervulde, zwak of vermoeid heeft gezien. (Blumhardt
had die week niet minder dan 40 uur bij Gottliebin gewaakt). Van een geruïneerd
zenuwstelsel of van opwinding is geen sprake. Daarvan kunt U zich gemakkelijk
overtuigen".
Onlangs, terwijl ik bezig was dit boek te schrijven, realiseerde ik me
opnieuw hoe aktueel Blumhardt eigenlijk is. Na afloop van een spreekbeurt
stevenden er namelijk twee ouderlingen op
45
mij af. Op mijn
prediking hadden zij niet veel aan te merken, maar al gauw duwde een van hen
mij een tijdschrift onder de neus. Daarin stond het getuigenis van een
predikant die met een homosexueel had gebeden. Nadat - in gehoorzaamheid aan
de opdracht uit Marcus 16 - de onreine geesten waren uitgedreven, moest die
homosexueel eensklaps overgeven en braakte toen een voorwerp uit dat veel op
een klomp vlees leek. "Hoe kan dat nu?" luidde het smalende
commentaar van die beide broeders. ".Als het wáár is wat die predikant
schrijft, zou men immers langs operatieve weg van homosexualiteit verlost
kunnen worden . . ."
Natuurlijk kon ik
die ambtsdragers geen verklaring geven van hetgeen die predikant beleefde.
Maar wel heb ik hun het een en ander verteld over hetgeen ds. Blumhardt
destijds meemaakte tijdens zijn strijd om Gottliebin. Aan hun gezichten kon ik
wel zien dat het hen duizelde ...
Zo moet het
Blumhardt zelf óók keer op keer vergaan zijn! Hij was een volkomen onbekende
wereld binnengegaan en niemand kon hem daarbij van advies dienen.
Door zijn
worsteling om Gottliebin kreeg hij echter steeds meer inzicht in het wezen der
demonen. Vooral sinds hij regelmatig ging vasten, kon hij met autoriteit
tegenover hen optreden. Een enkel gebed was vaak voldoende om de satanische
aanvallen een halt toe te roepen. Onder de bij-
46
belgedeelten die Blumhardt bij zulke gelegenheden bij voorkeur citeerde,
nam het slot van het Marcus-Evangelie een belangrijke plaats in. In onze dagen
nemen heel wat Christenen die woorden met een korreltje zout. Doch tijdens de
strijd van Blumhardt werd openbaar dat de duivel siddert zodra een christen
ernst gaat maken met de opdracht uit Marcus 16: "In mijn naam zullen zij
boze geesten uitdrijven".
De demonen staken hun haat tegen Blumhardt niet
onder stoelen of banken. "Jij bent onze ergste vijand" beten zij hem
toe "maar wij zijn ook j o u w vijanden. O, als wij maar eens mochten
zoals we graag wilden!" Bij een andere gelegenheid zeiden zij: "O,
als er maar geen God in de hemel woonde!"
Een der demonen riep enkele malen achtereen de
woorden die nu nog steeds - bij wijze van waarschuwing - te lezen staan op een
bord dat bevestigd is aan het huis waar Gottliebin woonde.
"O, Mensch, bedenk' die
Ewigkeit, versäume nicht die Gnadezeit, denn das Gericht ist nicht mehr
weit!"
Tijdens deze strijd werd Blumhardt er zich meer en meer van
bewust hoe funest het occultisme voor het geloofsleven is. Hij werd dan ook
niet moe tegen deze demonische valstrikken te waarschuwen. God had hem
duidelijk laten zien hoe demonen hun spel spelen met mensen die zich
47
met duistere praktijken inlaten. Onverschillig op
welke wijze men contact opneemt met het rijk der duisternis, via waarzeggerij,
spiritisme, bijgeloof of magnetisme, onherroepelijk belandt men in de greep
der demonen!
"Hun invloed" schrijft Blumhardt
"kan geestelijk zijn en zich uiten in zwaarmoedigheid en somberheid. Doch
evengoed kan deze demonische invloed lichamelijke gevolgen hebben, zoals
zenuwziekte. krampen, jicht en andere kwalen. Tevens kunnen demonen sterke
hartstochten opwekken, zoals wellust, drankzucht, gierigheid, woede en wraakzucht".
Op 8 februari 1843 brak er een nieuwe episode aan.
"Ik kan het niemand kwalijk nemen, als hij twijfelt aan de waarheid van
mijn mededelingen" schreef Blumhardt zelf.
"Wat er toen gebeurde gaat inderdaad tegen
ieder normaal begrip en gezond verstand in. Maar de waarnemingen en ervaringen
waarbij ik steeds enkele ooggetuigen had (ik hechtte daar veel waarde aan, ten
einde valse geruchten zoveel mogelijk te voorkomen) maken het mij mogelijk
ronduit en eerlijk de feiten door te geven, terwijl ik ervan overtuigd ben dat
er van de kant van Gottliebin geen sprake van bedrog was." De machten der duisternis kregen in de gaten
dat hun einde nabij was. Daarom zetten zij alles op
48
alles om Gottliebin van het leven te beroven. Op
onverklaarbare wijze slaagden zij erin allerlei voorwerpen in het lichaam
van het meisje te toveren. Toen zij op zekere dag moest overgeven, kwam er
allemaal zand tevoorschijn! Later kleine glasscherven en stukken ijzer,
hoofdzakelijk oude kromme spijkers. Ds. Blumhardt kon aanvankelijk zijn ogen
niet geloven toen hij dit alles meemaakte. Hij waande zich het slachtoffer van
een nachtmerrie! Twaalf kromme spijkers vielen rinkelend in een waskom die
hij haar voorhield . . . Verder braakte Gottliebin schoengespen van allerlei
afmetingen uit. Vaak zó groot, dat het onwaarschijnlijk leek dat ze door de
keel van het gekwelde meisje naar buiten konden komen. Nadat een bijzonder
groot stuk ijzer uit haar mond was gekomen, bleef Gottliebin minutenlang
bewusteloos liggen. Haar adem was nog nauwelijks hoorbaar.
Talloze naalden en spelden verlieten haar lichaam.
Gewoonlijk via de mond. Doch op een gegeven moment kwamen er een stel spelden
(zolang als een wijsvinger!) uit haar oren naar buiten. Ieder voorwerp dat te
voorschijn kwam, veroorzaakte Gottliebin ondragelijke pijnen. Bij al deze
lugubere verschijnselen was Blumhardt een en al gebed. Wanneer hij bad, kwamen
de voorwerpen als vanzelf naar buiten toe. Wanneer die dingen ver genoeg uit
het lichaam staken, trok hij ze er met de hand uit. Eénmaal, toen hij
Gottliebin de han-
49
den oplegde, kon hij zowel horen als voelen hoe er naalden in
haar hoofd in stukken braken. Het waren stalen naalden, waarvan de stukken
later door de mond van Gottliebin naar buiten kwamen.
Ook uit de neus van de patiënt verwijderde ds.
Blumhardt tal van spelden. Terwijl hij in gebed was, kwamen er eens vijftien
naalden tegelijk met zulk een kracht uit de neus van het meisje, dat zij bleven
steken in haar hand, toen zij die werktuigelijk onder haar neus hield om ze op
te vangen.
Op zekere dag klaagde zij over erge hoofdpijn. Toen
de predikant haar de handen oplegde, zag hij overal kleine metalen puntjes
schitteren. Het waren allemaal spelden, die hij stuk voor stuk uit het hoofd
moest trekken. Iedere keer kromp het arme meisje daarbij ineen van de pijn.
Zelfs via haar ogen kwamen naalden naar buiten!
Doris Köllner, Blumhardts dappere echtgenote, had
tot dusver de worsteling om Gottliebin enkel vanuit de verte meegemaakt. Haar
zendingsveld lag immers in de keuken, waar zij soep kookte voor arme mensen en
voor de zieken in de gemeente. Het spreekt vanzelf dat de strijd om Gottliebin
het gezinsleven van de Blumhardts vaak in de war bracht. In deze tijd had Doris
vier kleine kinderen te verzorgen. (Later kregen de Blumhardts er nóg vier
kinderen bij). Op de meest onmogelijke tijden moest Blumhardt naar het zieke
meisje toe. Maar
50
nooit beklaagde Doris zich als het eten koud werd of een gezellig bijeenzijn
plotseling moest worden afgebroken. Doris steunde haar man trouw in de
voorbede. Zodra de periode der materialisaties aanbrak, ging zij echter ook
met hem mee naar Gottliebin. Zo had Doris, terwijl haar man in gebed was, eens
een vol uur nodig om twee lange, metalen draden te verwijderen die (vlak onder
de huid) om het lichaam van Gottliebin waren gewikkeld. Men kan zich
nauwelijks voorstellen wat dit alles voor Blumhardt en zijn vrouw moet hebben
betekend. Om nog maar te zwijgen van de arme Gottliebin!
Blumhardt vertelde dat hij soms wel een half uur
lang uit alle macht moest trekken om een speld of een ander metalen voorwerp
uit het lichaam van het meisje te verwijderen. Naast spelden kwamen er ook
glasscherven, stenen en een keer een heel lang stuk ijzer te voorschijn. Elk
voorwerp veroorzaakte Gottliebin vreselijke pijn. Vaak riep zij: "Dit houd
ik niet meer uit. Dit wordt mijn dood". Wanneer de dominee niet aanwezig
was, werd Gottliebin soms zó gekweld door een voorwerp dat zich onder haar huid
bevond, dat zij ten einde raad een mes nam en daarmee het voorwerp eruit
peuterde. Maar de wonden die dan ontstonden, wilden bijna niet meer genezen. Op
het gevaar af dat de haren van mijn lezers nu helemáál te berge zullen rijzen,
moet ik toch ook nog vermelden dat er soms l e v e n d e dieren uit
51
de mond van Gottliebin naar buiten kwamen. Eens vier enorme
sprinkhanen tegelijk. Toen men die beesten gevangen had en buiten op een grasveld
zette, hipten zij weg, alsof er niets aan de hand was . . .
Op zekere dag deed het meisje haar mond wijd open
en kwamen er vleermuizen te voorschijn. Het gebeurde zó snel dat men niet
precies kon tellen hoeveel het er waren. De een telde er zes, anderen weer
acht. Dat ook dit geen hersenschim was, moge blijken uit het feit dat één van
deze dieren dood geslagen werd. Het waren dus e c h t e vleermuizen!
Als ik tenslotte nog vertel dat zelfs een kikker en
een adder uit de mond van Gottliebin kwamen (de adder beet haar o.a. in haar
voet. Die wond bloedde zeer lang en de littekens van de giftanden bleven
maandenlang zeer pijnlijk!) dan kan men zich wellicht voorstellen wat Blumhardt
in die dagen meemaakte. En nog steeds was het eind niet in zicht . . .
Toch gaf Blumhardt de moed niet op. Er was voor hem
geen terug meer mogelijk. Zijn motto was nu: overwinnen of sterven!
52
HERDER OF HUURLING?
Begin 1843 beseften de demonen blijkbaar dat hun
lugubere spel bijna was uitgespeeld. Nog slechts één maand hadden zij de tijd .
. . Dan zou een van hen uitbrullen: "Jesus ist Sieger!" Daarom werden
hun aanvallen steeds gemener en brutaler. Zij stelden alles in het werk om
Gottliebin van het leven te beroven. Toen zij eens een bloedneus kreeg, bleef
het bloed maar doorstromen: bakken vol! De arts stond voor een volkomen raadsel,
mede omdat dit bloed een zeer onaangename, penetrante geur verspreidde. Op een
middag, terwijl hij op weg was naar zijn dochtergemeente, wipte Blumhardt
even bij Gottliebin binnen. Zij was juist van schone kleren voorzien en rustte
uit in een gemakkelijke stoel, want het vele bloedverlies had haar volkomen
uitgeput. De kamer waar zij zich bevond, was helemaal geschrobd, omdat de
grond één grote bloedplas leek. Op Blumhardt's vraag hoe het nu met haar ging,
antwoordde Gottliebin dat zij zo'n hoofdpijn had. Volgens haar moest er weer
een of ander voorwerp in zitten. Wanneer het er niet uitging, klaagde zij, zou
dat onherroepelijk haar dood be-
53
tekenen. Blumhardt voelde echter niets zitten en
daar hij haast had, beloofde hij later op de dag terug te komen.
Spoedig nadat hij afscheid had genomen, kwam dr.
Späth, de huisarts, binnen. Hij onderzocht het hoofd van zijn patiënt en voelde
inderdaad iets zitten. Hij merkte hoe het voorwerp heel langzaam naar buiten
kwam en hij wilde dan ook wachten tot hij het uit de huid kon trekken. Gottliebin
maakte van de gelegenheid gebruik om de arts nog allerlei bijzonderheden over
haar lijden mede te delen. Na twee uur wachten was het bewuste voorwerp echter
nog steeds niet te voorschijn gekomen en omdat dokter Späth toen voor een
spoedgeval werd weggeroepen, moest hij het meisje alleen laten.
Die zelfde middag om een uur of vier bevond ds.
Blumhardt zich weer in de buurt. Buiten adem kwam iemand hem tegemoet. Of hij
onmiddellijk naar Gottliebin wilde komen! Op een drafje ging de predikant mee.
Overal staken mensen hun hoofd uit het raam en riepen ds. Blumhardt toe dat de
toestand kritiek was.
Zodra de dominee het vertrek betrad, sloeg hem een
adembenemende stank tegemoet. Gottliebin bevond zich in het midden van de
kamer. Zij hield haar hoofd boven een teil die voor de helft gevuld was met
water en bloed. De grond was weer helemaal rood gekleurd en de kleren van het
arme meisje waren zó doordrenkt van bloed,
54
dat de oorspronkelijke kleuren niet meer te onderscheiden
waren. Het bloed stroomde Gottliebin uit beide ogen en oren, uit haar neus en
uit haar kruin. Later verklaarde Blumhardt dat deze aanblik voor hem het
verschrikkelijkste moment was geweest van de gehele strijd. Iedereen was de
kamer uitgevlucht en ook Blumhardt zonk de moed een ogenblik in de schoenen.
Zijn geestelijke inzinking was gelukkig van korte
duur. Hij was immers herder en geen huurling! Hij mocht zijn gekwelde
gemeentelid ook nu niet in de steek laten. In het geloof riep hij de naam des
Heren aan. Hoewel hij dit op fluisterende toon deed hield het bloeden
ogenblikkelijk op. Toen wenkte Blumhardt de familie van Gottliebin naar binnen
en liet hen het gezicht en het hoofd van de patiënt wassen. Zodra hij het
voorhoofd van de zieke betastte, voelde hij iets zitten en na enig gebed kwam
er een kleine spijker naar buiten. Ook uit het achterhoofd kwam een kromme
spijker te voorschijn.
Blijkbaar was er nu opnieuw een mijlpaal bereikt,
want vanaf dat ogenblik hield het bloeden definitief op. Voor het eerst sinds
lange tijd voelde Gottliebin zich die avond weer aardig goed.
Nu het de duivel gelukt is veel christenen wijs te maken dat een
kind van God niet gebonden kan zijn, is het buitengewoon verhelderend zich eens
55
te verdiepen in de strijd en overwinning van ds. Blumhardt.
Nogmaals zou ik met nadruk willen vaststellen dat Gottliebin een echte christin
was, die de Here Jezus Christus van harte liefhad. Toch noemde ds. Blumhardt
haar een "gebondene" en zijn hele strijd was erop gericht de banden
van het arme meisje te verbreken. Veel hedendaagse zielzorgers zouden zich die
moeite bespaard hebben. Volgens hun zwart-wit schema was Gottliebin óf een
onbekeerde, verharde zondares óf een bevrijd kind van God. Want een christen k
a n immers niet gebonden zijn . . .
De werkelijkheid was (en is!) echter heel anders
dan de rechtlijnige ideeën van sommige studeerkamertheoretici. Blumhardt
ontkende niet dat Gottliebin de Heiland lief had. Hij bezorgde het meisje geen
extra depressie door aan de echtheid van haar geloof te twijfelen. Nee, als
een ware herder bond hij de strijd aan met de machten die haar kwelden!
Ook in het leven van Gottliebin zien wij hoe belangrijk
het is dat ouders hun kinderen reeds vroeg bij de Heiland brengen. Omdat haar
ouders merkten dat zij reeds als b a b y bloot stond aan demonische aanvallen,
omringden zij haar met een muur van gebed. Na de dood van haar ouders kwam
Gottliebin echter bij een tante terecht die een ervaren occultiste was. Het
meisje was toen pas zeven jaar oud. Toch had de godsdienstige opvoeding die zij
thuis gekregen had, al zó diep
56
doorgewerkt, dat zij zich uit alle macht tegen de trucs van satan
verzette. "Wanneer jij niet Gottliebin heette en er niet zo veel voor jou
gebeden was" verzuchtte die tante wel eens "zou jij in het rijk van
satan heel wat in de melk te brokkelen krijgen". Wanneer kleine Gottliebin
daarover nadacht, werd zij altijd herinnerd aan bijbelteksten die zij vroeger
thuis gehoord had!
Zij kon helaas niet voorkomen dat zij tijdens dagen
van ziekte door die tante gemagnetiseerd werd. Op deze wijze kwam Gottliebin
langzaam maar zeker in de greep der duisternis. Geheel tegen haar wil want zij
verzette zich bewust tegen iedere vorm van occultisme. In dat opzicht hadden
haar ouders haar vaak genoeg gewaarschuwd. Blumhardt nam aan dat juist dit
verzet van Gottliebin de demonen er toe bracht haar te kwellen en te pijnigen.
Wellicht hadden de demonen er ook een vermoeden van dat God deze jonge vrouw
tot een der trouwste medewerksters van Blumhardt zou maken. Niemand kon later
zo goed met geesteszieken omgaan als juist Gottliebin. Geen wonder dat de
demonen haar genezing met alle geweld wilden verhinderen!
Nooit kan 't geloof te veel verwachten !
In een van de vorige hoofdstukken heb ik verteld
hoe Gottliebin eens, tijdens een vreselijk onweer, tot tweemaal toe een
poging tot zelfmoord deed.
57
Op het allerlaatst hebben de demonen dat nog een paar keer geprobeerd.
Het arme meisje werd er o.a. toe gedreven om midden in het bos een heel stel
grote stenen op elkaar te stapelen. Nadat zij daarop was geklommen, knoopte
zij haar shawl op kunstige wijze aan een boomtak en maakte er een strop van.
Dit maal leek het erop dat de duivel zijn zin kreeg, want Gottliebin stak haar
hoofd in de strop en sprong toen van de hoop stenen af. De strop ging wel
dicht, doch vanwege het gewicht scheurde de shawl kapot! Door de smak die zij
maakte, kwam Gottliebin weer tot zichzelf.
Zij nam zich voor van deze trieste gebeurtenis
niets aan ds. Blumhardt te vertellen. Maar nog dezelfde avond kwam de predikant
het uit andere bron te weten. Tijdens een aanval schreeuwde een der demonen
nl: "Dit meisje kunnen wij maar niet om zeep brengen. Zij heeft zich opgehangen,
doch de strop is gebroken".
Vaak was Gottliebin de dood nabij. Meer dan eens
heeft Blumhardt meegemaakt dat zij minutenlang niet meer ademde en dat ook
haar hart stil stond. Ja, soms leek haar gezicht reeds een dodenmasker. Doch
door het gelóóf mocht Blumhardt steeds weer als overwinnaar uit het strijdperk
komen.
Eens, toen Gottliebin alleen was, werd zij gemarteld
door een naald die in haar buik stak en niet naar buiten wilde komen. In een
vlaag van waan-
58
zin nam zij een mes en stak dat diep in haar buik.
Medisch gesproken had deze steek onherroepelijk haar dood moeten betekenen,
temeer daar zij het mes ook nog enkele malen heen en weer bewoog. Doch God liet
niet toe dat zijn kind op deze wijze het leven zou verliezen. Als door een
wonder bleek de wonde niet dodelijk te zijn, hoewel o.a. de maagwand was
opengesneden. Langzaam maar zeker genas de grote wond. Maar nóg gaf satan zich
niet gewonnen.
Na verloop van enige tijd kwam een vriendin van Gottliebin
de pastorie binnenstuiven met de mededeling dat die buikwond en verschillende
andere wonden plotseling weer waren opengebroken. Of ds. Blumhardt vooral zo
spoedig mogelijk wilde komen. Er heerste acuut levensgevaar. Heel even
dreigde Blumhardt in paniek te raken. Doch toen doorzag hij dat het een truc
van satan was. Omdat hij geen loopjongen van de duivel wilde worden, weigerde
hij naar Gottliebin toe te hollen. In plaats daarvan begaf hij zich naar zijn studeerkamer.
Daar knielde hij neer en riep krachtig tot God. Hij nam in het geloof de
overwinning en zei - natuurlijk dwars tegen zijn "gezonde verstand"
in - dat hij niet naar Gottliebin toe ging. Die vriendin moest het meisje zeggen
dat zij zèlf (met haar open wonden naar de pastorie toe moest komen. "Sie
könne es im Glauben".In het geloof zou zij het kunnen. En werkelijk,
even later zag ds. Blumhardt de heerlijkheid
59
Gods. Zijn geloof werd gehonoreerd: want Gottliebin was opgestaan en
kwam de pastorie binnen! Blumhardt was zó onuitsprekelijk blij met deze
overwinning, dat hij er geen woorden voor kon vinden. "Nooit kan 't geloof
te veel verwachten, des Heilands woorden zijn gewis. ’t Faalt aardse vrienden
vaak aan krachten, maar n o o i t een vriend als Jezus is".
Was Blumhardt liefdeloos?
Tijdens mijn verblijf in Möttlingen heb ik o.a. een gesprek gevoerd met
ds. Löffle, de plaatselijke predikant. Het was voor mij een wonderlijke gewaarwording
om in het huis te vertoeven waar Blumhardt jarenlang gewerkt en gebeden heeft.
De huidige bewoner van de Blumhardt-pastorie bleek een positief en vriendelijk
man te zijn. Doch hoe zeer hij mij ook ter wille was, toch kon hij mij niet aan
alles helpen wat ik aan Blumhardt-gegevens nodig had. Zo dol graag had ik b.v.
predikbeurtenblaadjes van Blumhardts tijdgenoten in handen gekregen. Wij weten
immers alleen dat Blumhardts collega's zich van hem distantieerden en tegen
hem waarschuwden. 'k Zou er heel wat voor over hebben gehad om eens in de
toenmalige kerkelijke blaadjes te kunnen snuffelen.. . .
Omdat de kerkgeschiedenis Blumhardt aanvaard heeft
en die gebeurtenissen met Gottliebin zich zo lang geleden afspeelden, maakt
niemand zich
60
meer druk over wat er destijds in Möttlingen gebeurde. Maar o wee als
ds. Blumhardt eens in o n z e tijd geleefd had! Ik ben ervan overtuigd dat er
dan menigeen in de pen was geklommen om tegen Blumhardt te waarschuwen. En zou
daar ogenschijnlijk niet alle reden toe zijn? Men stelle zich even voor: een
patiënt met open wonden, die zich in levensgevaarlijke toestand bevond, liet
hij zo maar van bed opstaan en naar zijn pastorie komen! Vanuit medisch oogpunt
was dit natuurlijk onverantwoordelijk. Een compleet schandaal. Wie als
predikant zoiets doet, is een gevaar voor de volksgezondheid! Trouwens, was het
niet reuze liefdeloos om zo met een arme zieke om te springen? Foei! Daaruit
bleek hoe schandalig weinig pastorale bewogenheid deze man bezat . . .
Maar Blumhardt trok zich van de praatjes en krokodillentranen van
collega's en critici niets aan. Hij richtte zijn oog uitsluitend op de onwankelbare
beloften van zijn God. Wanneer hij naar zijn collega's geluisterd had, was
Gottliebin levenslang een prooi der demonen gebleven. Haar korte voet zou dan
evenmin genezen zijn als haar hoge rug en andere nare lichamelijke handicaps.
Gedurende de twee jaren dat Blumhardt voor Gottliebin op de bres moest staan,
ging zijn gemeentelijke arbeid gewoon door. Daarnaast publiceerde hij
regelmatig artikelen voor jeugd- en zendingsbladen. Dat hij allesbehalve
overgeeste-
61
lijk was, moge b.v. blijken uit het feit dat hij, midden in de strijd om
Gottliebin Dittus, tal van artikelen schreef over liturgische problemen. Bovendien
was hij ook huisvader en vond hij altijd nog gelegenheid om met zijn vrouw en
kinderen te lachen, te zingen en te stoeien.
Blumhardt was niets menselijks vreemd. Soms was hij
down en zelfs wanhopig. Onfeilbaar was hij beslist niet. Hij gaf open en
eerlijk toe dat hij fouten maakte. Meer dan eens heeft hij domme en dwaze
dingen gedaan. Doch zodra hij zag dat hij een fout had begaan, boog hij zich
schuldbewust voor God en maakte het tevens met de daarbij betrokken mensen in
orde. Daarom hield de Heer zijn doorboorde hand beschermend over het leven
van zijn dienstknecht uitgebreid.
62
JEZUS OVERWON
SATANS MACHT
Een kat in het nauw doet rare sprongen, zegt het
spreekwoord. Ook de duistere machten die Gottliebin jarenlang gepijnigd
hadden, beseften dat hun einde gekomen was en daarom zetten zij nog eenmaal
alles op alles om hun tegenstander tot vertwijfeling te brengen.
Rondom Kerstmis 1843 bereikte de strijd een ongekend
hoogtepunt. Alles wat ds. Blumhardt tot dusver had meegemaakt, leek plotseling
kinderspel vergeleken bij hetgeen zich nu afspeelde. Ja, de predikant had het
gevoel alsof de hele hel op hem werd losgelaten!
Later getuigde hij dat hij nooit van zijn leven
nogmaals zulke dagen hoopte mee te moeten maken. Veertig uur lang was hij
onafgebroken in touw. Biddend en vastend klampte hij zich aan Gods beloften
vast. Meer dan eens vroeg hij zich af of zijn collega's dan tòch gelijk hadden.
"Bemoei je er niet langer mee" luidde immers hun advies. "Daar
is toch niets aan te doen. Je moet erin berusten en je tevreden stellen met het
t r o o s t e n van de zieke". Doch deze laffe oplossing schoof Blumhardt
toch weer van zich af. Hij was nu eenmaal herder en geen huurling!
63
't Moet erg bitter voor Blumhardt zijn geweest dat geen enkele van zijn
collega's hem steunde bij zijn zware strijd. Tot overmaat van ramp was er een
zekere Dr. De Valenti, die zich geroepen voelde in woord en geschrift tegen
Blumhardt te waarschuwen. Deze geleerde agitator was zowel theoloog als
medicus. De Valenti had zich gespecialiseerd in het bestuderen van ziekelijke
uitwassen op godsdienstig gebied en hij deed alle mogelijke moeite om
Blumhardt in kwaad daglicht te stellen.
Bijzonder pijnlijk was daarbij, dat Blumhardt en De
Valenti vroeger vrienden waren geweest. Gedurende de jaren dat Blumhardt aan
de zendingsschool te Basel doceerde, hadden beide mannen elkaar leren kennen en
waarderen. In theorie geloofde dr. De Valenti dat God zelfs ongeneeslijke
zieken genas, doch - zoals dat wel meer voorkomt - nu er iemand was die deze
theorie in praktijk ging brengen, was de theoloog-arts woedend. Hij ging zelfs
zó ver, dat hij Blumhardt bij zijn kerkelijke superieuren aanklaagde. Hij
stelde Blumhardt o.a. een ultimatum. Wanneer de Möttlinger predikant niet
binnen vier weken een aantal vragen beantwoordde, zou dr. De Valenti hem
openlijk aan de kaak stellen als "een lichtschuwe, valse profeet een
magnetistische goochelaar". In zijn tijdschrift "Licht und
Recht" publiceerde hij tal van giftige artikelen over de genezing van Gottliebin
Dittus. In het leven van dr. De Valenti
64
werd echter openbaar dat men niet
vrijblijvend het werk van Gods Geest kan dwarsbomen Weldra kwam deze
theoloog-medicus in diepe geestelijke duisternis. Hij raakte ervan overtuigd
dat hij de Heilige Geest gelasterd had. Pas kort voor zijn sterven verdween
deze duistere angst. Toen raakte hij ook eindelijk zijn wrok tegen Blumhardt kwijt.
Een demonische
uitdaging
Tot op de huidige dag zijn er theologen en psychiaters
die met alle geweld een "wetenschappelijke" oplossing trachten te
vinden voor het mysterieuze gebeuren in Möttlingen. Een aantal negatief ingestelde
wetenschapsmensen is tot de conclusie gekomen dat Gottliebin Dittus h y s t e r
i s c h moet zijn geweest. Gemak dient nu eenmaal de mens! Wanneer men op het
dossier van Gottliebin het etiketje "hysterisch" plakt, kan men dat
dossier tenminste met goed fatsoen in een archief opbergen . . .
Zo simpel liggen de zaken echter niet! Het verlangen
om ziek te blijven is typerend voor iedere vorm van (echte) hysterie. Doch
Gottliebin wilde niets liever dan gezond zijn! Zij had de Heiland van harte
lief en verlangde ernaar Hem te dienen. Maar zij k o n niet, omdat zij een
gebondene was. Wanneer Blumhardt was
gaan berusten ("Deze ziekte is een zegen van God . . .") zou zij haar
leven lang een prooi der demonen zijn gebleven.
65
Dat dit geen geval van hysterie was, blijkt trouwens ook uit het gedrag
van Katharina, de zuster van Gottliebin. Hoewel dit een kerngezonde vrouw was,
kreeg zij tijdens de kerstdagen van 1843 plotseling (voor het eerst van haar
leven) precies dezelfde aanvallen als haar zuster. Terwijl Gottliebin nu vrij
rustig bleef, raakte Katharina door het dolle heen. Telkens wanneer Blumhardt
met haar bad, dreigde zij hem in stukken te scheuren. Als een volslagen
bezetene keek zij met loerende blik om zich heen en braakte een stortvloed van
godslasteringen over de predikant uit. Het was opvallend dat Katharina daarbij
niet buiten bewustzijn raakte, zoals dat vaak bij Gottliebin het geval was.
Zij zou dolgraag willen zwijgen, bekende zij aan Blumhardt, maar zij kòn eenvoudig
niet. Zij vroeg de omstanders zelfs of men haar vooral stevig vast wilde
houden, opdat zij geen gevaarlijke dingen zou kunnen doen. Ook daaruit bleek
dat een en ander geheel buiten haar wil gebeurde.
Onder de demonen die zich via de mond van Katharina tot Blumhardt
richtten, bevond zich er ook een die zich bekend maakte als een vorst der
duisternis. Hij wist dat hij spoedig naar de afgrond zou moeten, doch wilde
niet zonder meer capituleren. Nu eens was hij wanhopig, dan weer trots en
wreed. Op zeker ogenblik daagde hij God uit om een teken te doen waarvan heel
Möttlingen getuige zou zijn. Hij wilde namelijk op een
66
"eervolle" manier naar de afgrond gaan!
Deze vorst der duisternis probeerde Katharina nog
zo veel mogelijk te kwellen eer hij het veld moest ruimen. Wel een kwartier
lang slaakte het meisje door merg en been dringende wanhoopskreten. Daarbij
schudden al haar ledematen op afschuwelijke wijze. 's Nachts om twee uur viel
eindelijk de beslissing. Katharina zat op een stoel en boog plotseling haar
hoofd en bovenlichaam ver achterover. Met een stem die niet meer menselijk
klonk, brulde zij "Jesus ist Sieger! Jesus ist Sieger!" Aan het
stemgeluid was duidelijk te horen dat die demonische "generaal" hier
aan het woord was.
God had zijn brutale uitdaging aangenomen. Want tot
ver in de omtrek was het gebrul van deze vorst der duisternis te horen. Alle
dorpelingen zaten, midden in de nacht, recht overeind in bed. Zo ging hij toch
nog op een "eervolle" manier naar de afgrond . . . De erkenning dat
Jezus overwinnaar is, betekende tevens zijn capitulatie! Hiermede was een eind
gekomen aan de twee jarige strijd tegen de machten der duisternis. Weliswaar
hoorde men nog enige tijd de klopgeluiden in het huis van Gottliebin en kreeg
Katharina nog af en toe een aanval, maar Blumhardt was zeker van de
overwinning. Wat er nu nog gebeuren moest, was volgens hem alleen maar een
beetje puinruimen . . .
67
Heimwee naar de "late regen"
Kort na de bevrijding van Gottliebin werd Möttlingen geschud door een
machtige opwekking. Vele honderden werden gered en genezen. God deed machtige
wonderen en tekenen. Zelfs een dode werd opgewekt. Ook nadat de kerkelijke
overheid Blumhardt verbood de opdracht uit Marcus 16 uit te voeren, ging de
opwekking door. Blumhardt stuurde toen zieken die hij niet de handen mocht
opleggen, eenvoudig naar de kerk en daar genazen zij onder zijn prediking!
In de volgende hoofdstukken zal ik tal van hartverwarmende
bijzonderheden over de opwekking doorgeven. Er gebeurde echter zóveel, dat het
gevaar niet denkbeeldig is dat onze Gottliebin helemaal in het vergeetboek
raakt. Daarom wil ik nu graag nog eerst een en ander over haar verdere leven
vertellen.
Speciaal voor de lezers die het verband tussen
ziekte en gebondenheid nog niet willen zien: haar mankheid genas en haar te
korte voet groeide aan tot op normale grootte. Ook haar chronische maagklachten
en andere kwalen verdwenen als sneeuw voor de zon. Gottliebin, die haar leven
lang gesukkeld had met haar gezondheid, kon nu andere zieken gaan helpen. Zij
kwam bij Blumhardt in huis wonen en werd zijn trouwste medewerkster. Vooral
bij behandeling van geesteszieken werd zij onontbeerlijk voor Blumhardt, daar
deze mensen onmiddellijk het volste vertrouwen
68
in haar stelden. Ook dichtte Gottliebin vele liederen, die nog steeds
gezongen worden.
Een rijke jongeman uit Sleeswijk-Holstein, Theodor Brodersen genaamd,
kwam op krukken naar Blumhardt. Na zijn genezing ging hij weer naar huis, doch
kon daar niet meer aarden. Bij Blumhardt teruggekeerd, ontstond er een romance
tussen hem en . . . Gottliebin. Zij trouwden op 9 januari 1855 en God zegende
hun huwelijk met drie gezonde zonen. Eén van hen trouwde later met een
kleindochter van Blumhardt.
Wanneer wij nu uitvoerig stilstaan bij de wonderen
en tekenen die in Möttlingen plaatsvonden, mogen wij ons daar niet aan
vergapen. Juist Blumhardt heeft er dikwijls op gewezen dat hetgeen hij meemaakte,
slechts een voorproefje was van hetgeen later, kort voor de wederkomst des Heren,
zou gebeuren. Even enkele citaten "Omdat de gemeente op allerlei manieren
ontrouw werd, is zij steeds armer geworden. Daardoor is de Heer der Gemeente
steeds verder weg en de duivel steeds dichterbij gekomen". - "Er moet
nog éénmaal een uitstorting van Gods Geest over alle geslachten der aarde
plaatsvinden. Daarnaar verlangt de Gekruisigde". - "Wat er in
Möttlingen gebeurde, is slechts een voorbeeld van wat over de gehele wereld zal
geschieden als de overwinning van Christus over zijn vijanden geopenbaard
wordt. Dan zal de Heilige Geest ook weer in al zijn volheid aanwezig
zijn".
69
Vanzelfsprekend werd Blumhardt ook op dit punt door de meeste theologen
van zijn tijd hevig aangevallen. Maar hij liet zich niet ontmoedigen. Zo lang
hij leefde, wilde hij getuigen van zijn hunkering naar waarachtig bijbels
christendom. Ja, eens riep hij uit dat hij nog zijn laatste adem wilde gebruiken
om te bidden om een nieuw, wereldwijd Pinksterfeest. Het stemde hem verdrietig
dat zijn mede-theologen hem ook in dit opzicht nooit op grond van bijbelse
argumenten aanvielen. "Niemand heeft getracht om mij vanuit de bijbel terecht
te wijzen" klaagt hij in een brief aan dr. Barth "maar toch verwerpen
zij mij".
In Johannes 16 staan drie verschillende dingen die de Heilige Geest zou
doen. Ten eerste: overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel; ten
tweede: de weg wijzen naar de volle waarheid en ten derde: de Here Jezus
verheerlijken. Al deze facetten van het werk van Gods Geest kwamen in de
Möttlinger opwekking duidelijk tot uiting.
't Begon met de catechisanten van ds. Blumhardt. Vanuit de verte hadden
deze jongeren natuurlijk meegeleefd met de strijd om Gottliebin Dittus. Doch
nadat die demon had geroepen ".Jesus ist Sieger", begon de Heilige
Geest op bijzondere wijze onder deze jonge mensen te werken. Allereerst
overtuigde Hij hen van zonde. De een na de ander kwam naar de pastorie om
allerlei ver-
70
keerde dingen aan ds. Blumhardt te belijden. Sommigen, die nog
terugschrokken voor een mondelinge schuldbelijdenis, schreven brieven aan de
predikant waarin zij hun zonden beleden. Zonder dat Blumhardt er iets van af
wist, vormden de catechisanten een bidstond en kwamen bijeen in
huissamenkomsten. Na enkele weken sloeg dit over op de volwassen gemeenteleden.
Overal smeulde nu het opwekkingsvuur.
Weldra zou het door een machtige hemelse windvlaag
worden aangewakkerd, zodat de vlammen hoog oplaaiden. De hele dag was de
pastorie gevuld met mensen die hun zonden kwamen belijden. Grote, sterke
landarbeiders huilden vaak als een kind. 's Nachts om twaalf uur moest de domineese
de mensen die nog niet aan de beurt waren gekomen met een zacht lijntje naar
huis sturen. Doch 's morgens om zes uur stonden de eersten al weer op de stoep!
De opwekking was het gesprek van de dag en in de dorpskroeg werd zelfs geen
Schnaps meer gedronken . . . Toch deed de kastelein uitstekende zaken, want van
heinde en ver kwamen er vreemdelingen om bij hem te overnachten. Er waren
mensen die tien tot twaalf uur gingen lopen om de prediking van Blumhardt te
beluisteren!
71
WONDEREN EN TEKENEN
Op Nieuwjaarsavond van het jaar 1844, slechts enkele dagen nadat het
"Jesus ist Sieger" door Möttlingen had geklonken, kwam er een jonge
kerel naar de pastorie en vroeg ds. Blumhardt te spreken. Deze man was reuze
getapt bij de opgroeiende jeugd, doch de ouderen waren minder op hem gesteld,
daar hij Jan en alleman in de maling nam. Hij was een rauw, onverschillig
stukje mens. De kerk had hij meer van buiten dan van binnen gezien. Blumhardt
ontving hem dan ook zeer gereserveerd.
Spoedig bleek echter dat deze man op bijzondere
wijze door God was aangesproken. Sinds acht dagen, bekende hij, had hij geen
oog meer dicht kunnen doen. Zó vreselijk benauwden hem zijn zonden. Hij wist
zich eenvoudig geen raad meer. Wanneer hij niet spoedig rust vond, zou hij
onherroepelijk te gronde gaan, vertelde hij Blumhardt. Hoewel de predikant
zijn bezoeker nog steeds niet helemaal vertrouwde, voelde hij zich toch gedrongen
de man enkele troostende Schriftwoorden voor te lezen. Vervolgens legde hij hem
de handen op en bad met hem. Dit sterkte de man kennelijk, want toen hij
vertrok, stond zijn gezicht heel
72
anders dan toen hij gekomen was. Toch stond hij de volgende dag
opnieuw aan de deur van de pastorie. Ditmaal zag hij er dermate ongelukkig
uit, dat de dienstbode die hem naar de studeerkamer van Blumhardt bracht, de
tranen in de ogen kreeg! Tijdens het pastorale gesprek dat volgde, werden
allerlei zonden beleden. Hoofdzakelijk occulte handelingen. Er volgden nog
verschillende bezoeken, doch op zekere dag vroeg de jonge kerel of ds.
Blumhardt hem in de naam van Jezus zijn zonden wilde kwijtschelden.
Hoewel Blumhardt dit nog nooit van zijn leven
gedaan had, aarzelde hij geen moment. Want de Heilige Geest maakte hem
duidelijk dat hij dit inderdaad doen mocht en doen moest. Als dienaar van Jezus
Christus verkondigde hij de man toen, onder handoplegging, de vergeving van
zijn zonden en het eeuwige leven. Op dat ogenblik gebeurde er iets
merkwaardigs! Zodra de jongeman van zijn knieën opstond, werden de woorden uit
2 Corinthe 5:17 zichtbare werkelijkheid. "Zo is dan wie in Christus is,
een nieuwe schepping: het oude is voorbij gegaan, zie, het nieuwe is gekomen".
Hij straalde van oor tot oor!
"Nu wil ik het ook aan mijn kornuiten gaan vertellen",
luidde zijn spontane getuigenis. "Tot nu toe hebben die altijd naar
mijn moppen geluisterd. Maar nu zal ik ze eens gaan vertellen hoe ze gered
kunnen worden". En . . . hij hield woord! Want reeds de volgende
dag stond hij weer in de
73
studeerkamer van ds. Blumhardt. Dit maal samen met een kameraad die er bar
ongelukkig uitzag. De dag daarop bracht hij weer een ander en zo ging hij door
tot al z'n vrienden aan de beurt waren geweest. Stuk voor stuk werden het
krachtdadige bekeringen.
Heel Möttlingen staat in brand !
Nog diep onder de indruk van hetgeen hij met al deze jonge mensen had
meegemaakt, preekte Blumhardt op vrijdag 26 januari over het psalmwoord:
"Die Hand des Höchsten kann alles ändern". Hoewel deze Lutherse
vertaling van psalm 77:11 niet helemaal juist schijnt te zijn, gebruikte de
Heer deze preek om de bolwerken van satan een beslissende slag toe te brengen.
De volgende dag om 7 uur zat de huiskamer van de pastorie namelijk tjokvol
mensen die Blumhardt wensten te spreken. Urenlang bleven zij wachten tot zij
eindelijk aan de beurt waren om hun zonden te belijden. Het waren vooral
occulte dingen die beleden moesten worden. Bijgeloof, magnetisme, toverij,
enz., enz. Wanneer deze mensen hun zonden berouwvol beleden hadden, verleende
Blumhardt hun de absolutie in de naam van Jezus.
De reactie van deze mensen was dezelfde als van die
bekeerde spotvogel: zij begonnen onmiddellijk te getuigen van de vreugde die
hun deel was geworden. Zo ontstond er overal in Möttlingen huissamenkomsten.
Ze schoten als padde-
74
stoelen uit de grond! Oud en jong kwam dagelijks
bij elkaar om de bijbel te lezen en geknield te bidden.
Diverse biografen hebben het doen voorkomen alsof
Blumhardt bezwaar zou hebben gehad tegen kinderbidstonden. Niets is echter
minder waar. De predikant was diep ontroerd toen het opwekkingsvuur eveneens
onder de kinderen begon te branden. De kinderen waren dan ook hartelijk welkom
in de pastorie en hij nam alle tijd om naar hun schuldbelijdenissen te
luisteren. "Wat ziet het er in de kinderwereld toch vreselijk uit"
schreef hij aan dr. Barth, naar aanleiding van de dingen die hij van deze
kinderen te horen kreeg. Doch juist daarom was Blumhardt zo dankbaar dat de
schuldvergeving en wedergeboorte ook een realiteit was voor de kinderen. Hij
verheugde zich toen hij hoorde hoe de jongens en meisjes die bij hem in de
pastorie waren geweest, nu een eigen bidstond hielden, waarbij ieder op de
beurt in geknielde houding een gebed uitsprak. Slechts ziekelijke uitwassen
(die ook in Möttlingen niet uitbleven) wekten zijn tegenzin op. Toen hij hoorde
dat er kinderen waren die dusdanig lange bidstonden hielden dat ze de volgende
dag op school zaten te suffen, merkte hij heel nuchter op dat men zulke blagen
een draai om de oren moest geven.
Op Pasen 1844 was de gehele gemeente bij de opwekking
betrokken. Mede doordat er alom de gek
75
mee werd gestoken, werden steeds meer mensen nieuwsgierig naar wat zich
rondom ds. Blumhardt afspeelde. Van heinde en ver kwam men naar Möttlingen
toe.
De Joëlsprofetie
Overal in het dorp werden nu dagelijks bidstonden
gehouden. Jong en oud las samen de bijbel en knielde neer om de Heer te vragen
meer van zijn heerlijkheid te openbaren. Blumhardt hoopte dat dit alles zou
uitlopen op een vervulling van de Joëlsprofetie:
"Ja, regenstromen laat Hij over u neerdalen,
vroegen regen en laten regen, zoals voorheen"-. "En het zal zijn in
de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees;
en uw zonen en uw dochters zullen profeteren en uw jongelingen zullen gezichten
zien en uw ouden zullen dromen dromen; Ja, zelfs op mijn dienstknechten en
dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen
profeteren".
In deze dagen getuigde hij dan ook: "Het moet met ons christendom
een heel andere kant op. De eerste gaven en krachten moeten weer terugkomen in
de gemeente. Ja, ik geloof dat onze Heiland alleen maar wacht tot wij Hem om
die gaven bidden". Omdat Blumhardt uitzag naar de vervulling van Joël 2,
verwachtte hij ook de uiterlijke tekenen van Pinksteren. "In de eerste
tijd
76
manifesteerde de Heilige Geest zich op duidelijke wijze zowel aan de
gedoopten als aan de buitenstaanders". Geen wonder dat de theologen Blumhardt
verweten dat hij hunkerde naar de extatische gaven uit het boek Handelingen, zoals
het spreken in tongen. Maar die gaven waren toch uitsluitend voor vroeger,
vóórdat de canon van het Nieuwe Testament was afgesloten . . .
Bij de Blumhardt-opwekking stond de geestelijke
genezing voorop. Maar wanneer iemand vrede met God had gevonden en de occulte
banden verbroken waren, gebeurde het heel vaak dat er tevens lichamelijke
genezing intrad. Wanneer Blumhardt hen de handen oplegde, voelden velen een weldadige
kracht over zich komen.
Een reumapatiënt die vreselijk onder deze ziekte
te lijden had (de pijnen concentreerden zich hoofdzakelijk in zijn dijbeen)
ging naar ds. Blumhardt toe. Terwijl de predikant hem de handen oplegde,
voelde deze patiënt hoe de pijn vanuit zijn dijbeen omlaag zakte en zo het
lichaam verliet. De reumatiek was weg en blééf weg!
Op een morgen kwam een moeder hevig overstuur de
pastorie binnen. Zij had per ongeluk een pan gloeiend hete pap omgestoten en de
inhoud was over haar driejarige kind gestroomd. Tot overmaat van ramp was dit
kindje bijna naakt geweest, omdat het juist zou worden gewassen. Toen Blumhardt
het huis van de vrouw binnenkwam, schreeuwde het kindje zó luid, dat de om-
77
standers horen en zien verging. De huid van het arme kind zat vol
afschuwelijke brandblaren. Maar Blumhardt nam de peuter in zijn armen, bad en .
... het kind werd ogenblikkelijk stil. Hoewel de brandblaren pas langzamerhand
wegtrokken, was de pijn onmiddellijk verdwenen!
Een echtpaar had van de arts te horen gekregen dat hun kind, dat een
ernstige oogziekte had, een operatie moest ondergaan. Omdat zij daarvoor
terugschrokken, maar toch niet zonder meer naar Blumhardt durfden gaan, vroegen
zij dr. C.G. Barth om raad. Deze theoloog-publicist stond nogal critisch
tegenover Blumhardt. Des te merkwaardiger is het advies dat hij deze bezorgde
ouders gaf. "Wanneer jullie het geloof kunnen opbrengen dat de Heiland
jullie kind kan en wil genezen, ga dan naar Blumhardt toe. Maar als jullie
geen geloof hebben, laat het kind dan opereren".
"Nu, geloof hebben we wel", was hun antwoord. Zij gingen naar
Blumhardt en enkele dagen later waren de ogen van het kind volkomen gezond!
Van alle kanten stroomden zieken en gebondenen naar Möttlingen. Men
kreeg er vaak de wonderlijkste taferelen te zien. Een jongen uit een dorpje
dat een kilometer of vijf van Möttlingen lag, had een broertje dat in zijn
groei gestoord was. Bovendien was het ventje kreupel en had het
78
een bochel. Zodra de jongen had gehoord van de wonderen die God
in Möttlingen deed, laadde hij zijn misvormde broertje op zijn rug en droeg hem
naar de kerk van Blumhardt. Dat was een tocht van ruim een uur! Maar zijn
geloof werd niet beschaamd. Want de volgende zondag kon men de beide jongens
naast elkaar naar Möttlingen zien wandelen en reeds enkele dagen later was de
kleine jongen kerngezond. Zelfs zijn bult was verdwenen!
Een dame die anderhalf jaar geheel verlamd was en
bij allerlei specialisten vergeefs genezing gezocht had, kwam ook naar
Möttlingen. Zij liet zich 's zondags naar de kerk dragen en luisterde daar
aandachtig naar de preek. 's Maandags vroeg zij of de predikant haar wilde
bezoeken. Tijdens het pastorale gesprek dat volgde, kwamen allerlei onderwerpen
ter sprake, doch niet haar verlamming. Diezelfde avond kwam iemand met betraande
ogen de pastorie binnen. "Dominee, u moet niet schrikken, hoor, maar die
verlamde dame lóópt!", luidde de veelzeggende mededeling die Blumhardt te
horen kreeg. Onmiddellijk ging hij naar de dame toe. Ze kwam hem al een eindje
tegemoet en samen knielden zij in haar kamer neer om de Heer te danken voor
hetgeen Hij aan haar gedaan had.
Geen wonder dat Möttlingen nu in het middelpunt der
belangstelling kwam te staan. De dorpskerk werd natuurlijk veel te klein.
Honderden mensen
79
zaten 's zondags op klapstoeltjes op het kerkhof rondom het kerkje.
Blumhardt schreeuwde zijn keel schor om al die honderden buiten de kerk te
kunnen bereiken. Menige zondag preekte hij op deze manier vier maal achtereen!
Eens waren er liefst 2000 vreemdelingen om te
luisteren. Hoewel de Möttlingers buitengewoon gastvrij waren, konden zij al
deze mensen toch met geen mogelijkheid herbergen. Maar geen nood: in hooibergen
en stallen kon men ook best slapen. Vele honderden kampeerden in de openlucht.
Op een keer sliepen er 250 mannen in het bos, zó maar, zonder tenten en dekens.
Toch mopperde er niemand over gebrek aan comfort. "De mens leeft niet van
brood alleen", riepen de "kampeerders" elkaar vrolijk toe
als ze 's morgens door de eerste zonnestralen gewekt werden. En dadelijk was er
dan wel iemand die het eerste opwekkingslied inzette. Zingend ging men dan naar
de Blumhardt-kerk en wie geluk had, kreeg zelfs een zitplaats....
De losgekoppelde wagon
Door alles wat ik vertelde over de strijd om Gottliebin,
zal menigeen een zeer heldhaftige indruk van Blumhardt hebben gekregen. Hij
was echter helemaal niet zo'n held. Hij was b.v. bang voor honden, en
treinreizen vond hij erg griezelig. . . .
Toch kreeg hij op een van zijn treinreizen een
80
wonderlijke openbaring. De wagon waarin hij zich bevond, werd
door het spoorwegpersoneel losgekoppeld. De lokomotief moest namelijk rangeren
om een stel andere wagons op hetzelfde spoor te zetten.
Toen zijn wagon weer aan de lokomotief was
vastgekoppeld, flitste het ineens door Blumhardt heen dat deze gebeurtenis een
geestelijke betekenis had. De kerk was de wagon, die van de lokomotief was
losgekoppeld. De lokomotief, dat was de Heilige Geest, die in de eerste
gemeente de krachten van het Koninkrijk Gods openbaar maakte. Zonder die
lokomotief zou de kerk gedoemd zijn stil te blijven staan.
Pas als de lokomotief terugkeerde en de wagon opnieuw
werd vastgekoppeld, zou het weer vóórwaarts gaan. Dan ging het met volle
kracht naar de vervulling van Joël 2!
81
OPNIEW EEN STRIJD OP LEVEN EN
DOOD
Hoge bomen vangen veel wind. Omdat Blumhardt geestelijk met hoofd en
schouders boven zijn collega's uitstak, behoeft het ons niet te verwonderen
dat hij voortdurend bloot stond aan critiek en verdachtmakingen. Men bedenke daarbij
vooral in wat voor een tijd deze man leefde. Vrijzinnigheid en bijbelcritiek
beleefden toen immers een periode van hoogconjunctuur en juist in die dagen
bracht Blumhardt zijn door en door bijbelse boodschap.
Met name hekelde hij collega's, die hun gemeenteleden
vrome berusting trachtten bij te brengen. Hij verweet zijn medetheologen dat
zij zich niet uitstrekten naar de genezingsgaven van de Heilige Geest. Want
dáárom moesten zij hun zieken met vroom klinkende dooddoeners afschepen! Hoewel
Blumhardt er zich terdege van bewust was dat de beloften Gods beërfd worden
door geloof en geduld (Hebreeën 6 :12), stond hij erg wantrouwend tegenover
het "geduld" van sommige christenen. "Pas op", schreef hij
eens aan een zieke, "pas op dat u niet gaat pronken met uw geduld".
Een geduld dat wil "dragen" in plaats van bidden, maakte Blumhardt
kriebelig . . . "Bij ons maakt
82
men maar al te vaak van de nood een deugd", verkondigde hij.
"Wanneer er iemand ongeneeslijk ziek is, beweert men dat dit de wil van God
zou zijn. Doch ondertussen loopt men van de ene dokter naar de andere en
probeert ieder nieuw geneesmiddel. Ja, men neemt zelfs de toevlucht tot
allerlei occultisme en zulke arme, bedrogen mensen verontschuldigen zich dan
met de uitvlucht, dat men nu eenmaal rare dingen doet wanneer men in
nood is. . . "
Reeds in januari 1844 verbood men Blumhardt nog langer zieken de handen
op te leggen. De "gebedsgenezer" antwoordde toen met een brief van
liefst 12 kantjes, waarin hij o.a. schreef: "Ik zal geen enkele vreemde
meer de handen opleggen. Maar als er tóch genezingen plaats vinden en de mensen
blijven toestromen, omdat men God nu eenmaal niets kan voorschrijven, wil ik
bij voorbaat ieder verwijt als zou ik ongehoorzaam zijn, van de hand
wijzen".
Nu was de dominee van Möttlingen een kerkelijk
probleem geworden! Men wist zich geen raad met hem en stelde alles in het werk
om zijn arbeid onmogelijk te maken. Zo verbood men o.a. dat er mensen van
buiten Möttlingen in het dorp bleven overnachten. De kerk mocht niet meer
gebruikt worden op werkdagen enz. enz. Hoewel Blumhardt steeds zeer tactvol en
soepel reageerde op
83
al deze plagerijen, werd hij toch officieel berispt wegens
"ongehoorzaamheid". Voortaan moest Hansjürg, die nu ook in de
pastorie woonde en zich tot een zeer waardevolle medewerker ontwikkelde, de
mensen wegsturen als zij naar Blumhardt om hulp kwamen! Wat moet er in het hart
van deze predikant zijn omgegaan als hij zag hoe er rijen mensen die voor de
pastorie stonden te wachten, weer naar huis werden gestuurd. Meer dan eens zijn
Blumhardt bij zo'n gelegenheid de tranen in de ogen gesprongen.
Toch ging hij niet bij de pakken neerzitten. Hoewel
hij geloofde dat de handoplegging een zeer bijbelse daad is, wist hij dat God ook
zónder zijn handoplegging kon en wilde genezen. Daarom stuurde hij de zieken
die hij niet meer ontvangen mocht, eenvoudig naar de kerk en daar genazen zij
onder zijn prediking! ("Hij zond zijn woord en genas hen" - Psalm 107
:20).
In mei 1846 kwam er een invalide vrouw naar Möttlingen.
Haar hand was tot een vuist verkrampt, zodat zij die met geen mogelijkheid kon
openen. De nagels van haar vingers waren al helemaal in de huid van de
handpalm gegroeid. In Tübingen hadden verschillende artsen haar tevergeefs
behandeld.
Toen zij naar de pastorie ging, moest Hansjürg haar
het bekende verhaal vertellen: de dominee mocht haar niet ontvangen. Die avond
bezocht zij echter de dienst in het schoollokaal.
84
De andere morgen meldde zij zich weer bij Hansjürg. "Nu m o e t ik
de dominee spreken" –"Maar beste vrouw", luidde diens antwoord,
"U weet toch dat het niet mag". - "Waarom niet", vroeg de
vrouw en zij toonde Hansjürg haar volkomen genezen hand. De vorige avond, tijdens
de prediking van Ds. Blumhardt had de vuist zich plotseling ontspannen!
In een overmoedige bui stapte zij in Tübingen naar
de artsen die haar vroeger behandeld hadden en liet hun haar genezen hand
zien. Doch daar kwam ze van een koude kermis. Zij werd voor bedriegster
uitgescholden en de deur uitgewerkt.
Een kerkdienst in Möttlingen
Zo'n kerkdienst bij Blumhardt moet een onvergetelijke
belevenis zijn geweest. De eerste dienst was speciaal voor vreemdelingen.
Terwijl de kerk boordevol was, zaten buiten op het kerkhof vele honderden luisteraars
op klapstoeltjes of gewoon op de grond. Men waande zich in de dagen dat de
Heiland op aarde rondging "weldoende en genezende allen die door de
duivel overweldigd waren". Niet alleen blinden en kreupelen zag men bij
Blumhardt in de kerk, maar ook epileptici en geesteszieken. Voor deze laatsten
had Blumhardt grote bewogenheid. Op het gevaar af dat deze mensen de eredienst
verstoorden, wilde hij hen persé onder de verkondiging van 't Woord hebben.
85
Wanneer het eens gebeurde dat er onder de prediking een bezetene
opstond om te schreeuwen of te schelden, begon Blumhardt heel eenvoudig een
opwekkingslied te zingen. De hele gemeente viel onmiddellijk in en na het
zingen van dat lied was de patiënt meestal weer stil.
Voor Blumhardt was de opwekking geen doel, maar een
middel. Het was de springplank tot het normale gemeenteleven. De opwekking was
nodig om van zijn gemeente een waarlijk s t r ij d e n d e kerk te maken.
Daarom was hij ook niet bang voor interrupties van geesteszieken. Blumhardt
wilde dat zijn gemeente opgroeide tot mannelijke rijpheid, de maat van de
wasdom der volheid van Christus (Epheze 4 :13).
Eens kreeg een epilepticus een hevige aanval tijdens
de kerkdienst. De verschrikte aanwezigen wilden onmiddellijk een arts
waarschuwen. Maar dat vond de predikant niet goed. Hoewel de patiënt het
schuim op de lippen stond en even later als dood op de grond viel, stond
Blumhardt niet toe dat iemand er naar omkeek. Hij ging gewoon door met spreken
en nog voor hij "Amen" gezegd had, zat de bewuste epilepticus weer
rustig mee te luisteren. Volkomen genezen!
De preken van Blumhardt waren over het algemeen
erg eenvoudig. 't Was vaak alleen een tekstverklaring, gekruid met
getuigenissen van genezingen en bevrijdingen die hij de afgelopen week had
meegemaakt. Hij hield ervan om zulke erva-
86
ringen aan de gemeente door te geven. "Erfahrung bringt Hoffnung", zei hij. Wie hoort hoe anderen verlost
zijn, gaat ook zelf naar verlossing verlangen!
Bij Blumhardt hoefde men zich nooit te vervelen.
Een ooggetuige bericht hoe eens, op een zomerse zondag, de hemel tijdens de
prediking plotseling betrok. Inktzwarte wolken schoven voor de zon. Hevige
donderslagen weerklonken en alle aanwezige boeren dachten met schrik aan hun
oogst die op het veld stond. Opeens onderbrak Blumhardt zijn preek. "Ach
Here God", bad hij, "als U ons wilt straffen door de oogst te
vernielen, dan willen wij ons daaronder buigen. Maar wilt U als 't U blieft wel
zorgen dat wij nu nog ongestoord naar Uw evangelie kunnen luisteren? Amen".
Tot stomme verwondering van alle aanwezigen hielden
de donderslagen onmiddellijk op. Binnen enkele minuten waren alle zwarte wolken
verdwenen en de zon scheen weer dat het een lieve lust was. Na zo'n
wonderlijke ervaring zei Blumhardt vaak: "Zo, daar heb ik me weer eens
doorheen geloofd . . ."
Moordaanslagen
Toen de duivel bemerkte dat de kerkelijke boycot de opwekking niet tot
staan kon brengen, probeerde hij het weer eens met zijn aloude handwerk. De
Here Jezus noemt hem niet voor niets "een mensenmoorder
van den beginne". Hoe waar
87
dit is, ondervond Blumhardt (bijna) aan den lijve! Hoewel de predikant
heel weinig echte vijanden had, haalde hij zich toch - door zijn agressief optreden
tegen iedere vorm van occultisme - de vijandschap van enkele duisterlingen op
de hals. Er werden diverse moordaanslagen op hem gepleegd. Dit was voor de
burgemeester zelfs aanleiding de pastorie 's nachts te laten bewaken. Doch ook
daardoor liet satan zich niet afschrikken.
Op zekere morgen bemerkte een koetsier die vroeg
uit de veren was, dat er brand was in de pastorie. Hij sloeg onmiddellijk
alarm en binnen enkele minuten waren tientallen dorpelingen aanwezig,
voorzien van emmers water. Nadat het vuur gedoofd was, ontdekte men dat iemand
allerlei brandbaar materiaal onder de slaapkamer van Blumhardt had
klaargelegd. De bedoeling was duidelijk. Niet zonder ontroering las de
predikant die morgen tijdens zijn stille tijd: "Elk wapen dat tegen u
gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht
tegen u keert zult gij in het ongelijk stellen. Dit is het deel van de knechten
des Heren en hun recht van Mijnentwegen, luidt het woord des Heren"
(Jesaja 54 :17).
In die dagen was de pastorie net een herberg. Omdat
men Blumhardt niet verbieden kon zieken als zijn persóónlijke gasten te
ontvangen, was de pastorie tot aan de nok toe gevuld met patiënten. Ofschoon
Blumhardt onmogelijk kon vermoeden dat de brandstichter bij hem in huis
88
vertoefde, werd hij gedrongen voor een bepaalde mannelijke gast speciaal
te bidden.
Eens riep Blumhardt hem "Jesus ist
Sieger" toe. De volgende dag was de man plotseling verdwenen. Hij liet
een briefje achter waarin hij bekende de moordaanslag te hebben gepleegd. De
uitroep "Jesus ist Sieger" had hem echter gedwongen het veld te
ruimen!
Al was Blumhardt van nature helemaal niet heldhaftig,
toch liet hij zich zelfs niet intimideren door acuut levensgevaar. Want hij
bouwde zijn geloof op Christus en hij wist dat ieder die dat doet, niet
beschaamd zal uitkomen.
Op zekere zondag stond een zwakzinnige plotseling
op tijdens de dienst en ging naar de preekstoel toe. 't Was een ijzersterke
kerel met een lichaam als een reus. "Zo, dat mannetje zal ik eens even van
de kansel afsleuren", fluisterde hij op dreigende toon.
Maar Hansjürg, die tegenover geesteszieken met grote
autoriteit kon optreden, greep onmiddellijk in en zo ontkwam Blumhardt aan dit
gevaar. "Het doet er niet toe of er gevaar dreigt", luidde zijn
commentaar, "want iedere dag is een dag van overwinning. Hoe meer strijd,
des te meer overwinning!"
Kort daarop, terwijl Blumhardt naar zijn
dochtergemeente was om daar catechisatie te geven, werd zijn vrouw bevangen
door een hevig angstgevoel. Zij vroeg daarop aan Hansjürg of hij de predi-
89
kant een eind tegemoet wilde gaan.
Blumhardt was verbaasd en ook een beetje ontstemd
toen Hansjürg hem vertelde wat hij kwam doen. Doch spoedig bleek dat de
domineese niet door haar intuïtie was bedrogen.
In het licht van de volle maan ontdekten de beide
late wandelaars namelijk twee mannen die zich aan de rand van het bos
ophielden. Aanvankelijk zag Blumhardt hen voor landarbeiders aan die nog laat
aan het werk waren. Toen de lopen van hun geweren in het maanlicht schitterden,
probeerde hij zichzelf wijs te maken dat het jagers waren. Pas toen de beide
mannen hun geweren op hem richtten, besefte de predikant dat dit een nieuwe
moordaanslag was. Een ander zou hard zijn weggelopen of zich op de grond hebben
geworpen. Maar Blumhardt niet. Hij had een betere oplossing. "Jesus ist
Sieger!", riep hij de beide mannen toe en op hetzelfde moment gingen de
geweren omlaag!
Tijdens hun tocht door het bos merkten Blumhardt en
Hansjürg dat zij nog steeds gevolgd werden. Doch zij lieten zich niet bang
maken. Zij zongen het ene opwekkingslied na het andere! Toen zij later 't bos
uitkwamen, zagen zij hoe de mannen opnieuw hun geweren op hen richtten.
Hansjürg was er zó van overtuigd dat God hen bewaarde, dat hij uitdagend riep:
"Schiet maar. Jullie raken ons toch niet". Daarop lieten de beide
mannen opnieuw hun geweer zakken en verdwe-
90
nen uit het gezicht. 't Is niet bekend of ds. Blumhardt
zijn vrouw die avond een standje heeft gegeven vanwege haar vreesachtigheid…
Er zijn geen grenzen aan Jezus' macht!
Een rijke weduwe, die gekweld werd door een geest
van zelfmoord, logeerde in de dorpsherberg, samen met haar moeder. Nadat zij
opnieuw een (mislukte) poging tot zelfmoord had gedaan, bracht de waard haar
aan het verstand dat zij op die manier niet langer in de herberg kon vertoeven.
Blumhardt hoorde van dit trieste geval en bood de dame aan in de pastorie te
komen logeren. Omdat hij geen onnodige risico's wilde lopen, liet hij een
dienstmeisje bij die dame op de kamer slapen en gaf het meisje instructies de
patiënt geen moment alleen te laten.
Op een morgen hoorde Hansjürg, die in de pastorie
als manusje-van-alles fungeerde, een verdacht geluid in de kamer van de rijke
weduwe. Toen hij het kamermeisje riep, bleek zij beneden te zijn. De weduwe had
haar met een smoesje naar de keuken gestuurd en daarna had zij de deur op slot
gedaan. Onmiddellijk haalde Hansjürg een bijl en sloeg daarmee de deur kapot.
Doch - helaas - het was reeds te laat. Zodra hij de kamer betrad, zag hij dat
de dame zich had opgehangen! Samen met ds. Blumhardt maakte hij de strop los en
legde het ontzielde lichaam op een bed. "Ze is dood", constateerde
Blumhardt,
91
"maar dat nemen we niet. Laten we
bidden!" Samen met zijn vrouw, Hansjürg en Gottliebin knielde de predikant
bij het lijk neer. Na een tijd van gebed, liet hij Hansjürg de mond van de
vrouw openen en paste de mond-op-mond-ademhaling toe. Blumhardt kon natuurlijk
niet vermoeden dat deze methode in onze tijd vrij algemeen zou worden
aanvaard. Hij kende de mond-op-mond-ademhaling alleen uit de bijbel!
Hoewel de longen van de vrouw heel even functioneerden,
bleef haar lichaam toch zonder leven. Toen dr. Kaiser, de
"Oberamtsartzt" uit Calw, arriveerde, kon hij slechts de dood
constateren. "Für uns ist sie tot", luidde zijn veelzeggende
diagnose. Hansjürg bleef echter bij haar en na vele, vele uren, toen Blumhardt
met zijn huisgemeente aan het zingen was (!), sloeg zij de ogen open. De weduwe
herstelde geheel en was volkomen bevrijd van die geest van zelfmoord. Enkele
maanden later trad zij opnieuw in het huwelijk en werd een trouwe bezoekster
van het kerkje in Möttlingen.
Het lied dat Billy Graham naar Nederland bracht,
werd reeds bij Blumhardt heerlijke werkelijkheid:
"Er zijn geen grenzen aan Jezus' macht
Voor elk die wonderen van Hem verwacht.
Ja, wie Hem aanraakt, erváárt Zijn kracht,
Want er zijn geen grenzen aan Jezus' macht!"
92
BAD BOLL:
EEN NIEUW GELOOFSAVONTUUR
Ondanks alle zegen die God schonk, werd het kerkelijke leven in
Möttlingen er niet gemakkelijker op. Vooral door de houding van de pers. Zowel
wereldlijke als christelijke bladen deden hun best om zowel Blumhardt als de
opwekking zwart te maken.
Herhaaldelijk gebeurde het dat er 's zondags journalisten
in de kerk aantekeningen zaten te maken om zodoende nieuwe stof te vergaren
voor hun lastercampagne. Eens richtte Blumhardt zich vanaf de kansel tot deze
persmuskieten! "Ik weet best waarvoor u hier naar toe bent gekomen. Maar
bedenkt dat men nooit vrijblijvend naar het Woord van God kan luisteren, Dat
Woord zal u grijpen! Gelóóf het toch, want dan zult u merken dat God u ook
liefheeft en zoekt".
Omdat er geen vreemdelingen in Möttlingen mochten
overnachten, moesten allen die van buitenaf kwamen, in de pastorie logeren als
persoonlijke gasten van de familie Blumhardt. Omdat de mensen van heinde en
ver toestroomden, zelfs uit Frankrijk, Skandinavië en Nederland, wist Doris
Blumhardt op de duur niet meer waar zij al haar
93
gasten bergen moest.
Van de kelder tot de zolder zat alles mutjevol. Zó
vol, dat de arme Doris niet eens meer een plekje had om haar (vele) wasgoed te
drogen.
Toen eens iemand belangstellend informeerde wat ze
zou doen als het regende, antwoordde de domineese glimlachend: "Op mijn
wasdag zorgt de Heiland altijd voor mooi weer. Hij weet immers wel dat mijn
was anders niet droog wordt". Dit eenvoudige getuigenis toont welk een
blijmoedig, kinderlijk geloof deze vrouw bezat. Al bleef zij bescheiden op de
achtergrond, toch stond zij met hart en ziel achter de arbeid van haar man. Het
is dan ook voor een groot gedeelte aan haar te danken dat ds. Blumhardt het nog
tot 1852 in Möttlingen heeft kunnen uithouden.
Omdat menigeen oog kreeg voor de zegenrijke resultaten
van Blumhardts werk, ontstond er op den duur toch een kentering op het
kerkelijk erf. Er waren zelfs predikanten die hun zieke gemeenteleden naar
Blumhardt toestuurden! Als gevolg van deze klimaatverandering kreeg ds.
Blumhardt ook menig aanlokkelijk beroep naar een andere gemeente. Hij was er
diep in zijn hart echter van overtuigd dat God een plaats voor hem had waar hij
zich geheel aan de zielzorg van zijn vele gasten zou kunnen wijden.
Maar omdat hij een nuchter man was, ging hij
serieus op ieder uitgebracht beroep in. Tegelijkertijd trok hij er regelmatig
op uit om een ge-
94
bouw te zoeken dat geschikt zou zijn als centrum voor zijn arbeid. Zo
kwam hij soms op de meest wonderlijke plekjes. Nu eens dwaalde hij door een oud
slot dat te koop werd aangeboden, dan weer door een leegstaande fabriek waarvan
de eigenaar failliet was gegaan...
Op zekere dag maakte iemand hem attent op het
zwavel - kuur - oord Bad Boll. Samen met zijn schoonvader ging hij er heen.
Doch toen hij het enorme gebouw zag, sloeg hem de schrik om het hart. Dat was
immers veel en veel te groot voor hem! Toch stelde hij zich ook nu open voor de
leiding des Heren. "Ik durf het weliswaar niet aan," zei hij,
"maar ik leg deze zaak in Gods hand. Als mijn vrouw en Gottliebin het wel
aandurven, zal ik dat als een vingerwijzing Gods beschouwen en stappen
ondernemen om het te kopen". Enige dagen later reisde Doris en Gottliebin
naar Bad Boll. Zij inspecteerden het grote gebouw van onder tot boven. Al
vroegen zij zich voortdurend af hoe Blumhardt ooit zo'n enorm gebouw zou kunnen
betalen, toch kregen zij steeds meer zekerheid dat dit inderdaad hun
toekomstige huis was.
Toen zij tenslotte in de grote danszaal (!)
stonden, bedachten de beide vrouwen ieder voor zich dat die zaal prachtig als
kapel zou kunnen fungeren en op het zelfde moment zeiden ze tegen elkaar:
"Dit laten wij ons niet ontgaan".
95
Hoe kan men Gods beloften krachteloos maken?
Daar er niemand belangstelling voor het verwaarloosde
Bad Boll had, was de koopsom belachelijk laag. Slechts f 25.000,-. Voor
Blumhardt was dat toch nog een duizelingwekkend bedrag, want zijn hele kapitaal
bestond uit 400 gulden... Doch hij wist dat hij een rijke Vader in de hemel
had. Van Hem is immers al het zilver en het goud.
De financiën vormden nog niet eens de grootste
hinderpaal. Zodra bekend werd dat Blumhardt een oogje aan Bad
Boll had gewaagd, brak er in Würtemberg een storm van verontwaardiging los. De pers,
die sinds jaar en dag tegen de opwekking in Möttlingen had zitten
stoken, raakte in alarmtoestand. Sommige kranten schreven zelfs dat het
"een nationale schande" was wanneer Blumhardt beslag zou leggen op
Bad Boll! Het college van Würtemberg doktoren diende een protest bij de
regering in. Deze heren waren namelijk bang dat ds. Blumhardt een
"gekkenhuis zonder medische controle" in Bad Boll wilde stichten . .
.
Het heeft lang geduurd eer de regering begreep dat
Blumhardt geen "gekkenhuis" wilde oprichten, doch tenslotte brak de
dag aan waarop de familie Blumhardt met Gottliebin en Hansjürg naar Bad Boll
kon verhuizen. Op wonderlijke wijze had God ook de financiële problemen opgelost.
Blumhardt zelf bleef nog enkele weken in de lege pastorie wonen, als een
kapitein die het niet over zijn hart kan verkrijgen om zijn zinken-
96
de schip in de steek te laten. Op 31 juli 1852, precies veertien jaar
na zijn feestelijke intrede, verliet hij Möttlingen. Op weg naar een nieuw geloofsavontuur!
Al bleef hem ook in Bad Boll strijd noch moeite bespaard, toch was het
voor Blumhardt een hele opluchting dat hij er volkomen zelfstandig kon werken
en niet langer geremd werd door kerkelijke bepalingen. In Bad Boll kwam het
zwaartepunt op de zielszorg te liggen. Doch ook hier bevestigde God het werk
van zijn dienstknecht met vele wonderen en tekenen.
Wanneer ik vertel dat er alleen in het jaar 1879
liefst 1500 telegrammen met verzoeken om voorbede bij Blumhardt werden
bezorgd, kunt u zich een voorstelling maken van de omvang van zijn arbeid. Daar
men een eeuw geleden slechts in zeer dringende gevallen telegrafeerde, vraagt
men zich af hoeveel
b r i e v e n Blumhardt dan wel niet moet hebben
ontvangen!
Over hetgeen God in Bad Boll deed, zou alleen reeds
een boek te schrijven zijn.Ik moge volstaan met 't vermelden van een
enkel geval, dat betrekking heeft op één van die 1500 telegrammen uit het jaar
1879. Een jonge vrouw, die in contact stond met Bad Boll, werd ernstig ziek.
Zij vroeg haar familieleden of ze een telegram aan ds. Blumhardt wilden sturen,
doch dit verzoek werd botweg geweigerd. De familie wilde namelijk niets met dat
"gekkenhuis" te maken hebben. De toe-
97
stand van de zieke werd echter steeds kritieker. Op een gegeven moment
kon het dienstmeisje van de familie dit
niet langer aanzien. Zij zond een telegram aan ds. Blumhardt met een verzoek om
voorbede. Tot stomme verbazing van de gehele familie sliep de zieke rustig in
zodra het telegram in Bad Boll was
gearriveerd. (Zekerheidshalve ging de familie er bij de P.T.T. naar
informeren!). Twee uur later was de patiënte volkomen genezen. Speciaal voor
wie nog niet inziet hoe door en door actueel Blumhardt is, wil ik nog even
doorgeven wat hij gezegd heeft over het krachteloos maken van Gods beloften.
Volgens Blumhardt kan men op drieërlei wijze het Woord Gods van zijn kracht
beroven.
Ten eerste kan men beweren dat alle goddelijke beloften uitsluitend voor
v r o e g e r golden. ’t Is natuurlijk echt wáár wat er in de Bijbel
staat, maar de beloften golden voor een vroegere bedeling. Alles is reeds
vervuld. . .
Ten tweede kan men de beloften Gods uitsluitend toepassen op het natuurlijke I s r
a ë l. Op die manier blijft er voor de gemeente van Jezus Christus niet erg
veel meer over. Hoogstens het vooruitzicht op de hemel.
Ten derde kan men de vervulling van Gods beloften verschuiven naar het
D u i z e n d j a r i g
e Rijk. Het is voor veel mensen zo moeilijk, zei Blum-
98
hardt, om van harte "Ja" te zeggen op al Gods beloften. Doch
wie dat doet. zal merken dat zijn hart verwarmd wordt en sneller begint te kloppen.
Daarom moeten wij Gods beloften nooit naar een wazige toekomst verschuiven!
Blumhardt was er vast van overtuigd dat de gemeente van Jezus Christus
nog zware beproevingen te wachten stonden. Daarom hadden Gods kinderen de
volle kracht van de Heilige Geest ook zo nodig! Blumhardt had echter een hekel
aan allerlei eschatologische haarkloverijen.
Toen eens twee bijbelstudenten in zijn nabijheid
zaten te bekvechten over de vraag wanneer de anti-christ zou geopenbaard
worden, merkte hij droogjes op: "Om die anti-christ zitten we nu niet
bepaald verlegen". Waarmee hij zeggen wilde dat we beter in het heden der
genade de beloften Gods kunnen aangrijpen dan alsmaar te zitten filosoferen
over de dingen die later zullen plaatsvinden.
Ook tijdens zijn levensavond bleef deze grote
Godsman eenzaam. "Ik sta nog steeds alleen", verzuchtte hij.
"Niemand begrijpt iets van mijn ervaringen. Overal moet ik mij muisstil
houden en dat doe ik dan ook".
Blumhardt is tot het allerlaatst aan het werk gebleven.
Van een pensionering wilde hij niet weten. In de eerste weken van 1880 werd hij
steeds
99
zwakker. Toch preekte hij nog op zondag 15 februari over psalm 27:8 en
9. "Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht. - Ik z o e k uw
aangezicht, Here". Het was een aangrijpende boodschap, waarin de
tegenwoordigheid Gods door alle aanwezigen op machtige wijze werd ervaren. In
een plotselinge opwelling liet Blumhardt die dag tevens het Heilig Avondmaal
vieren. Het zou de laatste maal zijn dat hij het bediende. Hoewel zijn
lichamelijke toestand steeds slechter werd, bleef hij op donderdag 19 februari
tot 's nachts 2 uur doorwerken aan een artikel over de voetwassing, dat bestemd
was voor het "Stuttgarter Sonntagsblatt".De zaterdag daarop bleek hij
longontsteking te hebben. Ieder ander zou zich nu erg ontzien hebben. Maar de
74-jarige Blumhardt niet. Hij kende iets van het Paulinische:"Wee mij,
indien ik het evangelie niet verkondig". Ziek als hij was, liet hij zich
naar de grote zaal dragen om daar zijn laatste preek te houden. Hij sprak over
psalm 46 :2, "God is ons een toevlucht en een sterkte, ten zeerste
bevonden een hulp in benauwdheden". Dit bleek echter te veel voor zijn
toch reeds zwakke krachten. Zware koorts teisterde zijn lichaam en ieder die
hem zag, begreep dat hij spoedig zou heengaan. Ook zijn laatste levensdagen was
Blumhardt voortdurend in gebed. "Uw Koninkrijk kome", bad hij vaak.
Soms riep hij: "De
100
Here zal zijn beloften héérlijk waar maken!" Op woensdagavond 25
februari haalde God Zijn moegestreden dienstknecht naar huis. Om 10 uur had hij
nog een lepel wijn gedronken. Toen men hem er nog een aanbood, bedankte hij.
Blumhardt sloot daarop de ogen en op hetzelfde moment verwisselde hij het
tijdelijke met het eeuwige. Drie dagen later werd zijn stoffelijk overschot
begraven. Vele Möttlingers stonden rondom het graf en de kinderen zongen zijn
lievelingslied, dat hij destijds - samen met Gottliebin - gemaakt had:
"Jesus ist der Siegesheld
Der all' Seine Feind besieget".
101